Mama, er is hier helemaal niets!

Van Vlieland vaart Rob Biersma per Boeing 747 naar Terschelling. Op Terschelling woont een oom, die vaststelt dat het zand uit zee naar het eiland oprukt.

De Koegelwieck, de boot van Vlieland naar Terschelling, is een grote katamaran met straalaandrijving. Hij ziet er van binnen uit als een Boeing 747 en maakt ook zulk geluid: een hoog gegier dat overgaat in zoemen als de boot eenmaal op snelheid is. Voor sommige zitplaatsen geldt een aanriemgebod. De tien passagiers verdelen zich over het vrijwel lege schip.

Sinds een maand is het Schuitegat, de geul die van de haven van Terschelling naar zee loopt, grotendeels dichtgeslibd. Vrijwel alle schepen moeten nu een omweg maken. Terwijl de boot vroeger gewoon overstak, zie je nu de Brandaris, de vuurtoren van Terschelling, eerst links, dan vooruit, dan rechts, dan weer vooruit en dan weer links. Omdat je de zandplaten zelf niet ziet, raak je ieder gevoel voor richting kwijt. De reis per snelboot duurt geen tien maar zeker 25 minuten.

Op Terschelling loop ik in de late avondzon met mijn rugzak naar oom Roelof die in het dorp een huisje heeft, niet ver van de Brandaris. De aankomst in West-Terschelling is als in een buitenlands dorp - je moet flink omhoog klimmen als je de hoofdstraat ingaat. Vlakbij zijn enkele hoge duinen die West iets bergachtigs geven. Maar de haven zelf is zo Nederlands als een haven maar zijn kan. Betonningsvaartuigen van Rijkswaterstaat, een paar zeeslepers en een groot aantal zeilende binnenvaartuigen met hoge masten - de fameuze 'bruine vloot'. Twee Duitse jongens brengen met een steekwagen de boodschappen naar de steiger: drie kratten bier met daarbovenop twee broden en een krop sla. Het zijn grote schepen, vaak met twee masten, en zonder uitzondering voorzien van borden met chartermogelijkheden. Een grote tweemaster moet er tussen uit en de schipper laat de schroef tijdens de draai beurtelings met volle kracht voor- en achteruit slaan. Het achterschip gaat rakelings langs de steiger, passagiers en voorbijgangers houden hun hart vast, maar de schipper lijkt er geen acht op te slaan.

Oom Roelof, die hier al dertig jaar een huisje heeft en een halve Terschellinger is geworden, geeft cursussen schilderen op het eiland. Toevallig is er net een expositie van de cursisten in de jeugdherberg en hij wil me gelijk meetronen. Maar ik wil eerst uitblazen van het gesjouw. Naast een kampeeruitrusting heb ik een vracht boeken in mijn rugzak en de laptop waarop ik dit Waddenweekboek tik.

De dagen erna toont mijn oom me 'zijn' eiland. Op de Noordsvaarder, de grote strandvlakte aan de westkant, ligt een aangevreten dode zeehond. Even later kijken twee levende zeehonden ons vanuit de branding nieuwsgierig aan. “Wat is er een hoop zand bijgekomen”, roept mijn oom steeds. Er zijn inderdaad grote stukken strand niet met palen gemerkt. Voorbij de branding liggen grote zandbanken die volgens mijn oom ieder jaar dichterbij komen. Door de kijker zien ze zwart van de vogels en ook liggen er een paar zeehonden te zonnen.

De laatste dagen ga ik alleen naar de Boschplaat. “Dat red ik niet, mijn hart weet je”, bekent mijn oom. 's Ochtends vroeg ben ik de enige. Als ik na zo'n acht kilometer lopen nog steeds niemand ben tegengekomen, krijg ik een verlaten gevoel. Ik klim op een duin en nestel me onder de top, net uit de wind. Het begint al een beetje warm te worden. Voor me ligt de Boschplaat, een kweldervlakte met kreken en lage duintjes waarop duizenden vogels nestelen. De vele plantenzones zijn zichtbaar als tientallen soorten groen en paars. Overal klinkt meeuwengekrijs. Een scholeksterpaartje doet duikaanvallen op me onder onophoudelijk tepiet. Als ze de aanval opgeven wordt het even stil. Ik word me langzaam bewust van de immense ruimte, het geeft een on-Nederlands gevoel. Een leeuwerik zingt boven de duintjes, maar de hemel is hier veel hoger dan hij klimmen kan.

Plotseling hoor ik boven me gesnuif en een verhit jongensgezicht verschijnt boven het duin. Het roept zonder acht op mij te slaan: “Mama, er is hier helemaal niets.” Er verschijnen nog meer kinderen en ten slotte ook twee vrouwen die in een boogje om mij heen lopen, het duin af. Beneden wachten de kinderen, die alle houdingen van uitputting aannemen tijdens een korte beraadslaging. Maar de moeder haalt iets uit haar tas en zwaait ermee boven haar hoofd voor ze het weer wegstopt. Haar vinger priemt voorwaarts, de verte in. En daar gaan ze ten slotte, de twee vrouwen voorop, de kinderen strompelend op vijftig meter erachter. Na een kwartiertje zijn het stipjes geworden.