Het ingeperkte varken

Het varken, dat met zijn besmeurde en ongelukkige snuit nu al maandenlang de nieuwslezer op het beeldscherm flankeert, doet niet de bestemming vermoeden die William Hedgepeth dit lid van de Suidae-familie toedacht. In zijn boek The Hog Book omschrijft hij het varken als 'optimistisch, geniaal, naïef maar toch diepzinnig, rumoerig energiek maar ook stil nadenkend, vruchtbaar en zorgeloos en in aanleg onbegrensd'.

Hij voegt daaraan toe dat het op aarde is gezet voor een hoger en waarschijnlijk heilig doel. Ook zonder geloof in deze missie blijft het varken een interessant en innemend schepsel met een lange historie. Schriftelijke bewijzen voor Darwins aanname, dat het zwijn 5000 jaar voor Christus in China werd gedomesticeerd, gaan terug tot anderhalfduizend jaar later. Zij kunnen dus bogen op een zeer oude beschaving, de varkens. Oude beschavingen gaan eens ten onder. Maar zal het varken om zijn eigen ondergang, die nu in gang lijkt te zijn gezet, ook maar één traan laten? Het lijkt niet waarschijnlijk. Niet de pest maar de ijzingwekkende omgeving is de pest voor hem. Zijn talenten liggen hier braak. Uit frustratie bijt hij de staart van zijn lotgenoten af, zijn energie en ondernemingsdrang zoeken een uitweg. Wetenschappelijke onderzoeken tonen steeds weer zijn intelligentie aan, ver uittorenend boven die van paard, koe of schaap. Zijn deze laatste hooguit in staat een trucje te leren, het varken met zijn machtige kop en de kleine slimme ogen, kan zelfstandig een probleem oplossen. Van allerlei dieren die aan een doolhoftest werden onderworpen was hij de enige die zonder hulp van de mens, geheel op eigen kracht, dat varkentje kon wassen. Het bewonderenswaardige van het varken is, dat hij intelligentie paart aan een uitgesproken karakter. Hij is moedig en voor geen kleintje vervaard, integer, gevoelig én hij weet wat hij waard is. Met dwang valt daarom bij hem niets te bereiken, maar op voet van gelijkheid behandeld zal hij het beste uit zichzelf naar boven halen. Schreef niet W.H. Hudson in Green Mansions dat het varken - anders dan het achterdochtige en angstig onderdanige rund, de vijandige gans of de onverantwoordelijke geit - zich fideel en broederlijk opstelt tegenover de mens?

Van het varken wordt gezegd dat hij lui is. Het moet een opvatting zijn die is ingegeven door naijver. Afgunstig beziet de mens het vermogen van het varken zich moeiteloos over te geven aan de eenvoudige geneugten des levens en daarvan bovendien onbevangen te getuigen. Schuldeloze zinnelijkheid straalt hij uit wanneer hij daar in de modder ligt terwijl het zonlicht zijn half neergeslagen borstelige wimpers nog witter maakt en zijn mondhoeken in diepe tevredenheid met het bestaan naar boven krullen. Hij koketteert niet, hij wil niet imponeren, hij is volstrekt zichzelf in zijn overgave. Maar niet langer is hem dit vergund, het is een beeld uit voorbije tijden. In mijn vroegste jeugd huisde een enorme zeug op de kasteelboerderij, niet ver van waar ik woonde. In het voorjaar mocht ze met haar talloze biggetjes, eerst nog zijdezacht en roze, naar buiten. Naarmate de weken verstreken kreeg het terrein door hun energiek gewroet een steeds pokdaliger aanzien. De 'hogology' ofwel de varkensleer, heeft vastgesteld dat het varken niet lui maar juist heel arbeidzaam is, op het bezetene af. Een eigenschap die voornamelijk voortspruit uit de drang om zijn omgeving te onderzoeken. Het is daarom niet verwonderlijk dat het varken in de Middeleeuwen het zwaar te verduren kreeg. In tegenstelling tot de daaraan voorafgaande vroeg-christelijke periode - waarin het varken symbool stond voor welvaart, creativiteit, nederigheid en zuiverheid van het hart - wordt het varken dan het zinnebeeld van zonde, vleselijke lust, lichtzinnigheid, vuiligheid en ketterij.

Geprezen of veracht, het varken heeft een belangrijke plaats in het gedachtegoed van de mens. Geheel in overeenstemming met onze materialistische tijdgeest, staat hij tegenwoordig slechts voor de prijs van zijn vlees. Toch is hij meer onze broeder dan wij beseffen. Anatomisch en fysiologisch zijn varken en mens elkaars verwanten. Zo hebben ze bijvoorbeeld gelijksoortige harten, tanden en huid en niet te vergeten eenzelfde waardering voor alcohol. Maar ook, uitzonderingen over en weer daargelaten, eenzelfde beheersing van het gebruik ervan, zoals experimenten (met varkens) aantoonden. Mens en varken delen eveneens een gigantisch aanpassingsvermogen, al lijkt voor de laatste de grens nu toch wel te zijn bereikt.