Goud voor Geel

De preek van het jaar. Nico den Bok, Pieter van Hoof, Bernard Fidder, Jacobine Geel, Auke van der Leij, met een inleiding van Anne van der Meiden (Kampen, 1997, 96 blz., prijs ƒ 15,-).

Wat moet er gebeuren als dominees het vak van preken niet beheersen? Dan moeten ze het leren. Dat kan. Ook mensen met weinig talent kunnen dragelijk leren preken, meent de christelijke communicatie-wetenschapper dr. Anne van der Meiden. Zaterdag was er in de Grote Kerk in Naarden onder zo'n dertienhonderd kerkgangers veel belangstelling en nieuwsgierigheid: welke dominee zou de beste preek, de 'preek van het jaar', afsteken?

De theologe Jacobine Geel (33), dochter van een gereformeerde dominee, kwam voor de jury van de door het dagblad Trouw, dat zich vroeger protestants-christelijk noemde, georganiseerde preekwedstrijd als eerste en beste uit de bus. Het goud ging naar Geel, die 265 andere prekers alsook vier medefinalisten achter zich wist te laten. De verdienste van Geel, tegenwoordig radioprogrammamaker bij de IKON, was (volgens de jury) vooral dat zij anders dan anderen blijk gaf van een 'ingetogen preekstijl', die sterk afweek van het traditionele preekgedrag dat in de kerken zou zijn te horen.

Alle vijf finalisten die in Naarden hun verkondigingskwaliteiten lieten zien en horen, hadden een gedeelte uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen tot thema gekregen. In maximaal twaalf minuten moesten ze een schriftverklaring afsteken over uitgerekend een van de moeilijkste en meest omstreden bijbelboeken, Paulus' brief aan de Romeinen.

De preekjury onder voorzitterschap van Elisabeth Schmitz, staatssecretaris van Justitie, oordeelde dat Geel het er het beste had afgebracht, maar het verzamelde kerkvolk koos voor een andere preek: voor de eloquente presentatie van de Amsterdamse katholieke theoloog dr. Pieter van Hoof (51). Hij sprak over Paulus' opvatting dat christenen altijd de overheid dienen te gehoorzamen, omdat die van godswege is ingesteld (Rom. 13:1-7). Overigens kon ook de gereformeerde emeritus-predikant Bernard Fidder uit Assen, die zijn gehoor een prachtig pastoraal betoog wist voor te schotelen, op veel waardering van het publiek rekenen.

Onomstreden was de - in navolging van The Times - georganiseerde preekwedstrijd al van meet af aan allerminst. Tal van woedende brieven kreeg de hoofdredactie van Trouw op haar bureau. Onder meer omdat “er maar één (namelijk God) is, die in staat en bevoegd is om preken te beoordelen”. Maar de krant zette door, ontving 270 van de circa 350.000 preken die in 1996 in Nederland zijn gehouden en wilde met de wedstrijd duidelijk maken dat preken niet alleen een vak, maar ook een kunst is. De jury had het er wel moeilijk mee. Zij koos aanvankelijk, toen zij van de vijf finalisten nog slechts over preken-op-schrift beschikte, voor een andere winnaar dan die er bij de presentatie vanaf de preekstoel het beste afkwam.

De prijs voor de 'preek van het jaar' was volgens juryvoorzitter Schmitz “geen beloning voor een topprestatie waarover slechts in superlatieven kan worden gesproken”. Opvallend was naar haar mening dat het lezen van een preek een heel andere gewaarwording is dan het beluisteren ervan. En inderdaad: een preek wordt pas een preek als ze wordt uitgesproken voor een gehoor. Voorgelezen of opgezegd in de stilte van een studeerkamer heeft ze nog weinig betekenis, want een preek is een 'communicatief proces', een driehoeksverhouding tussen predikant, tekst en toehoorders.

De predikkunde, de 'homiletiek', is volgens Van der Meiden in zijn inleiding in het boekje met de vijf uitgesproken preken een oude en respectabele vorm van retorica met een rijke traditie. Preken zijn nog altijd “een geliefd verschijnsel. Ze zijn niet verouderd en niet kapot te krijgen”, aldus Van der Meiden. Maar het is, voegt hij eraan toe, “niet ieders vak. Kerkgangers weten daarvan mee te praten en dominees al niet minder”.