Een generatieconflict in de architectenfamilie

Van donderdag tot en met zaterdag kwamen vele internationaal vermaarde architecten bijeen in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. Ze hielden zich bezig met onderwerpen als infrastructuur, geld en markten. “De discussies deden denken aan gezellige familiebijeenkomsten.”

ROTTERDAM, 16 JUNI. Voorafgaand aan de Eurotop in Amsterdam kwam in Rotterdam de wereldtop van de architectuur bijeen. Daar werd van donderdag tot en met zaterdag in het Nederlands Architectuurinstituut de 'Anyhow'-conferentie gehouden. Het was de zevende in een serie van in totaal tien jaarlijkse Any-conferenties die de stand van zaken in de internationale architectuur aan het einde van het millennium als onderwerp hebben. Het initiatief hiervoor werd in 1990 genomen door de Any Corporation, waarvan onder anderen de architecten Peter Eisenman, Arata Isozaki en Rem Koolhaas bestuursleden zijn. Elk jaar wordt de conferentie in een andere stad gehouden - Los Angeles, Buenos Aires en Seoul zijn bijvoorbeeld al aan de beurt geweest - en elk jaar komt een andere hoedanigheid van 'any' aan de orde. AnyBODY en anyPLACE zijn onder meer al behandeld op eerdere conferenties, in Rotterdam ging het om anyHOW.

Anders dan de Eurotop waren de vijf bijeenkomsten van de Anyhow-conferentie voor het publiek toegankelijk. Tegen betaling van een gulden of tachtig kon het in het auditorium van het Architectuurinstituut luisteren naar een van de vijf panels die niet alleen door architecten werden bevolkt, maar ook door filosofen, critici, theoretici en wetenschappers. Allemaal gaven ze een inleiding van een minuut of twintig over onderwerpen als 'infrastructuur en distributie' of 'geld, markt en beleid', onderwerpen kortom waarover ook de Europese regeringsleiders zich dezer dagen buigen. Na de voordrachten was er, onder leiding van wisselende 'moderatoren' zoals de directeur van het Museum Boijmans Van Beuningen Chris Dercon, gelegenheid tot discussiëren.

Deze discussies deden nog het meest denken aan gezellige familiebijeenkomsten. De leden van de architectenfamilie noemden elkaar als broers en zussen bij hun voornaam (Pete, Rem, Sandy, Ben, Saskia enzovoort) en reeds overleden ooms als Le Corbusier en Ludwig Mies van der Rohe werden aangeduid met koosnamen als Corb en Mies. Alleen de Oostenrijker Loos werd steeds met zijn achternaam aangeduid; niemand wil natuurlijk een oom Adolf in zijn familie hebben.

Veel van wat de familieleden hadden te zeggen over de onderwerpen, was moeilijk te volgen. Vooral de Japanners bedienden zich van een vreemd soort Engels, anderen, zoals John Raichman, hoogleraar aan het Collège International de Philosophie in Parijs, lazen hun lange zinnen zo monotoon voor, dat de gedachten al spoedig afdwaalden naar prettigere onderwerpen dan de filosofie van Gilles Deleuze.

Toch viel uit de eindeloze woordenbrij van de Anyhow-conferentiegangers wel iets op te maken. Zo werden de eerste tekenen van een generatieconflict zichtbaar. Nadat de Amerikaanse architectuurtheoreticus Sandy (Sanford Kwinter) op de eerste dag vurig een soort manifest voor een nieuwe architectuur van het gedigitaliseerde tijdperk had uitgesproken, werd hij door zijn oudere broer Pete (Peter Eisenman) streng toegesproken. De jongere familieleden leden aan een ernstig gebrek aan historisch besef, vond Pete, en bovendien wisten ze helemaal niets van tropen (overdrachtelijke voorstellingen), een onderwerp waarmee de New-Yorkse architect zich de laatste tijd bezighoudt. Vrijdag was het Ben (van Berkel) die op zijn kop kreeg van oudere broer Rem (Koolhaas). Bens gebouwen leden aan een overdreven 'gedetermineerdheid', verweet Rem Ben.

Het werd duidelijk dat de jongere architecten (Ben van Berkel, Greg Lynn, Alejandro Zaera-Polo) zich intensiever bezighouden met de gevolgen van de digitalisering van de wereld en de bijbehorende welvende, organische architectuur dan ouderen als Rem Koolhaas en Peter Eisenman. De laatsten reageerden hierop als ouders die weliswaar van popmuziek van The Rolling Stones en ook nog wel Prince houden, maar weinig begrip kunnen opbrengen voor de house-muziek waar de jongere generatie zo van houdt.

In zijn eigen bijdrage op zaterdagochtend stelde Rem (Koolhaas) de positie van de architect ter discussie. Hij liet vakantiedia's zien van enkele Chinese steden, die in vijftien jaar zijn uitgegroeid van vissersdorpen tot miljoenensteden. Een gedetailleerd plan ligt niet ten grondslag aan dergelijke steden: de overheid geeft voor de stedenbouw niet meer dan een heel grof kader, dat met een ongelooflijke snelheid wordt ingevuld door particuliere bouwers. Architecten ontwerpen er in vier dagen een wolkenkrabber, maar het eindresultaat is, zo liet Rem overtuigend zien, verrassend genoeg niet veel anders dan de voorsteden van bijvoorbeeld Parijs. Tot een echte discussie over deze tijdbom kwam het jammer genoeg niet: misschien was het onderwerp ook te pijnlijk voor architecten die juist bijeen waren gekomen om zich te buigen over heuse Eurotop-onderwerpen.

Op de allerlaatste bijeenkomst op zaterdagmiddag werd ook nog duidelijk dat nog maar één filosoof de familie van de Any-architecten in zijn ban heeft: Gilles Deleuze, de vorig jaar overleden Franse filosoof die, waarschijnlijk uit ontzag voor zijn verhandelingen over rhizomen, steevast werd aangeduid met Deleuze en niet met Gilles. Een jaar of vijf jaar geleden was het nog Jacques Derrida, ook een Franse filosoof en een van de grondleggers van het deconstructivisme, aan wiens lippen de Any-architecten hingen. Nu werd zijn naam op de valreep slechts één keer genoemd door de Australische vrouwenwetenschapster Elizabeth Grosz, waarvoor zij zich, als voor een vies woord, omstandig excuseerde. Een ander had geteld dat voor de laatste bijeenkomst de naam Deleuze al zestig keer was gevallen. In de laatste uren kwamen hier nog tientallen keren bij.