Drempelvrees

In het jaar 2005 of daar omtrent krijgt Nederland meer gewicht in Europa: om precies te zijn winnen we dan twee stemmen ten opzichte van België en Portugal. Met twaalf stemmen worden we echt de 'grootste van de kleine landen', en dat is voor het ijverige Nederland een hele genoegdoening. Deze kleine triomf van onze diplomatie is weinig opgemerkt en ach, helemaal onbegrijpelijk is dat nu ook weer niet, want wie ligt wakker van gewogen stemmingen in een verre toekomst.

Europa maken betekent het scheppen van voldongen feiten, die bovendien zo in de tijd worden uitgesmeerd dat ze niet onmiddellijk opvallen. Zo ligt er meer dan tien jaar tussen het verdag over de muntunie en de invoering van een munt. En zo gaat het ook met meerderheidsstemmingen op het gebied van de immigratie en asielbeleid die waarschijnlijk over een aantal jaren worden ingevoerd. Tot die tijd geldt unanimiteit. De precieze gevolgen van deze stappen zijn heel moeilijk te overzien.

De eenwording is een gok met lege instituties. De hoop is altijd geweest dat door het scheppen van gemeenschappelijke instellingen en verplichtende procedures, niet alleen algemene belangen zouden worden gediend maar ook bindingen zouden ontstaan tussen burgers over de grenzen heen. De muntunie is zo'n lege institutie waar landen zichzelf in dwingen, verantwoordelijkheid aan over dragen, in de hoop dat de de nieuwe centrale bank zichzelf in de loop der jaren zal rechtvaardigen en zo loyaliteit van de burgers zal weten op te roepen.

Deze slinkse methodeis misschien wel de enig mogelijke. Er is geen ander voorbeeld van een zo vergaande samenwerking tussen landen, zonder een direct aanwijsbare dreiging van buiten. Om in zulke omstandigheden een zo ver gaande mate van lotsverbondenheid als een muntunie te realiseren is heel moeilijk. Want hoe schep je een gevoel van urgentie in vredestijd? De dreiging van de Oost-Aziatische landen is daarvoor niet voldoende. Vandaar al die omwegen die worden bewandeld.

Europa is voor veel regeerders een geweldige manier om zich af te schermen van onwillige bevolkingen. Moeilijk beleid wordt gerechtvaardigd met een intimiderende vraag: willen we bij Europa horen of niet? Jos de Beus schrijft dat Kok en Van Mierlo zich in de afgelopen maanden hebben laten kennen als regenten (in Het Parool van 13 juni). Ze nemen te gretig deel aan het plooien en schikken dat in de achterkamers van Europa wordt bedreven. Daarmee is weinig meer gezegd dan dat beiden zich voegen naar de werkwijze van de Europese Unie, die geheimhouding en voldongen feiten met zich meebrengt.

Neem nu de datum van 2005 voor toetreding van onder meer Polen. Ineens is die datum opgedoken, terwijl eerst werd gesproken over 2002. Stel het wordt 2005, dan heeft het dus zestien jaar geduurd eer de Europese Unie de gevolgen van de val van de Muur heeft verwerkt. Maar wat in deze context van belang is: waar en door wie is deze nieuwe datum vastgelegd? Zo gaat het met veel. Europa maken is het scheppen van voldongen feiten, waarbij ministeriële verantwoordelijkheid verdampt.

Wat men wel kan zeggen is dat de verdediging door Van Mierlo van deze werkwijze een verloochening is van een leven lang pleiten voor een andere stijl van besturen. Zijn stelling in een toespraak voor Europese Parlement, dat de burgers niet geïnteresseerd zijn in de keuken, maar enkel in de kwaliteit van de gerechten staat lijnrecht tegenover zijn stelling dat de vorm en inhoud van politiek bedrijven niet te scheiden zijn. Het gaat niet om daden alleen, maar ook om openbaarheid en controle, aldus Van Mierlo in een eerder leven.

De aanloop is nu ingezet voor een hink-stap-sprong. De hink van het Verdrag van Amsterdam, de stap is die naar de muntunie en dan de sprong in het ongewisse van de uitbreiding naar het oosten.

Zo vlak voor de afzet bespeur ik bij velen drempelvrees. Wat staat ons te wachten, wat te denken van de stortvloed aan tegenstrijdige voorspellingen over de muntunie? Slechts één ding lijkt zeker: instituties afschaffen is met vijftien landen nog moeilijker dan ze tot stand te brengen. Europa maken is een fuik van eigen makelij binnenzwemmen.

Daarom zoeken landen naar waarborgen binnen de onomkeerbare structuur die de Unie is. Vetorecht is het mooiste symbool van de angst om in die klem te geraken. Dat wordt nu op een aantal terreinen in het nieuwe verdrag afgeschaft.

Die stap is overigens minder dramatisch dan het lijkt: in het nieuwe voorstel blijft een gekwalificeerde meerderheid nodig van ongeveer 70 procent van de stemmen (141 van de 199 stemmen). Anders gezegd: minimaal drie landen kunnen een voorstel blokkeren. Kortom, bij echt omstreden voorstellen - en dan gaat het er pas om - zal het heel moeilijk zijn om een gekwalificeerde meerderheid te verwerven.

Europa maken is over het graf regeren. De vraag is echter: hoe ver draagt deze methode van voldongen feiten? De Fransman staatsman Jean Monnet is een symbool van de Europese zaak. Van hem wordt door zijn talrijke volgelingen altijd met bewondering gezegd dat niemand zo'n grote invloed op de Europese Gemeenschap heeft gehad, en dat, terwijl hij zelden een officiele positie heeft gehad. Nee, Monnet was de man achter de schermen, die netwerken onderhield en regeringsleiders tot verdere eenwording probeerde te verleiden. Hoe nuttig ook, die werwijze staat voor het gebrek aan controle, voor het tekort aan helderheid die 'Europa' altijd heeft omgeven.

Het gaat om de onbedoelde gevolgen van een goed idee. Men zou de geschiedenis van de integratie van Europa het best kunnen vergelijken met die van de verzorgingsstaat. Niemand zal willen bestrijden dat de verzekering van mensen tegen de gevolgen van werkloosheid, ziekte of ouderdom tot een humanere samenleving hebben geleid. Tegelijk zullen weinigen nog willen ontkennen dat die verzekering veel onbedoelde gevolgen heeft gehad, zoals een hoge mate aan inactiviteit.

Ook 'Europa' wil een beschavingsproject zijn. Maar de prijs van deze samenwerking door middel van voldongen feiten is hoog. Het beeld van een onomkeerbare ontwikkeling - de trein rijdt, uw kritiek komt te laat - staat natuurlijk haaks op het 'trial and error' dat elke democratie eigen is. Er wordt een nieuwe constitutie gemaakt achter de rug van de betrokkenen om. Hoe lang kan zoiets goed gaan?

De CDA-bankier Herman Wijffels zegt: “Vijfhonderd parlementariërs, van Lapland tot de Algarve en van Letland tot Ierland. En die zouden de democratische legitimatie van Europa leveren? Ik heb grote fantasie nodig om me dat voor te stellen”. Het verbaast niet dat het Europese Parlement in het nieuwe verdrag een sluitpost is geworden. Wijffels ziet een algemenere institutionele crisis : “De burgers hebben een afnemend vertrouwen in de instituties. De afstand tot de burgers is behoorlijk groot geworden. Datzelfde wantrouwen zie je terug in de manier waarop burgers aankijken tegen de grote ondernemingen” (de Volkskrant, 10 juni 1997).

Wijffels ontkracht daarmee de methode van Europa, die berust op een groot geloof in instituties, zoals een gemeenschappelijk parlement. De eenwording drijft op de gedachte dat gemeenschappelijke instellingen het doen en laten van regeringen reguleren en van een context voorzien die veel mogelijkheden tot conflict uitsluit. Van Jean Monnet zijn daarover pertinente uitlatingen bekend: “Alleen instituties worden wijzer, daarin worden de collectieve ervaringen opgeslagen”. En: “Instituties zijn de echte dragers van de beschaving”.

Totnogtoe is de koude integratie van Europa tamelijk succesvol. Op meer en meer terreinen van het economische leven wordt een dwang tot samenwerking in Europa voelbaar. De Europese instellingen zijn een onomkeerbare werkelijkheid geworden. Niemand die eenmaal lid is geworden denkt er nog aan om eruit te treden. De kosten zijn eenvoudigweg veel te hoog om straks bijvoorbeeld weer een eigen munt in te voeren.

Maar als Wijffels gelijk heeft, dan is deze institutionele aanpak uitgeput. Misschien wordt het project van de ene munt wel het keerpunt en blijkt dat zo'n vitale keuze niet meer langs de beproefde omwegen kan worden afgedwongen. Vast staat dat er geen identificatie is gegroeid met de Europese instellingen en de mensen die deze bevolken. Deze hoop van de grondleggers is niet vervulling gegaan en is eigenlijk ook vervlogen. Daarin heeft de methode van Monnet en de zijnen gefaald. De voldongen feiten zijn niet tot leven gekomen en het lijkt er niet op dat dit binnen een afzienbare termijn zal gebeuren. Europa maken is vooral vertrouwen op de onverschilligheid en de plooibaarheid van de burgers.