De Patijns zijn waar de voorzittershamer ligt

Iets te ruw samengevat is het Verdrag van Amsterdam het werk van twee broers. Michiel en Schelto Patijn: de één doet het verdrag en de ander doet Amsterdam. Over een top die moet slagen.

AMSTERDAM, 16 JUNI. Autonomen die de stad onveilig maken, Frankrijk dat de top gijzelt omdat het naast een monetaire unie ook werkgelegenheid wil. De gebroeders Patijn zijn opvallend rustig onder wat komen gaat. Schelto Patijn: “Ajax-Feyenoord is moeilijker. Dat is soms oorlog, dit niet.” Michiel Patijn: “Ik denk dat we er uit gaan komen.”

Handig is het misschien niet. Vader Connie Patijn, in de jaren vijftig voorvechter van Europese integratie, had graag staatssecretaris van Buitenlandse Zaken wíllen worden. Zoon Schelto, in de jaren zeventig lid van het Europees Parlement, had alle ervaring om het te kúnnen worden. Maar jongere zoon Michiel, naar eigen zeggen voor een belangrijk deel juist politiek gevormd buiten Europa (in Washington), werd het.

Maar typerend is het wel. Want de Patijns werken al generaties lang waar het landsbelang dat vraagt. Of minder eerbiedig gezegd, waar een voorzittershamer vacant ligt. De overgrootvader van Schelto en Michiel Patijn was burgemeester van Den Haag, de grootvader thesaurier-generaal op het ministerie van Financiën en secretaris-generaal op Buitenlandse Zaken. Hun vader was Kamerlid, twee broers zijn burgemeester. Schelto Patijn (1936) was lid van de Tweede Kamer en het Europees Parlement, Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland en is nu burgemeester van Amsterdam. Michiel Patijn (1942) was diplomaat in Washington, topambtenaar op Economische Zaken en Defensie en werd, nadat VVD-leider Bolkestein hem vroeg, staatssecretaris van Europese Zaken.

Hoewel de burgemeester lid is van de PvdA en de staatssecretaris van de VVD, hebben zij in de woorden van Schelto Patijn “plusminus hetzelfde wereldbeeld”. Behalve hun bleke huidskleur hebben ze in ieder geval hun kalme pragmatisme gemeen, mogelijk de vrucht van anderhalve eeuw bestuurservaring in de familie. Bevlogen van idealen zijn ze geen van beiden, ze zijn uitvoerders meer dan aanvoerders.

Niet iedereen begrijpt misschien waar al die ingewikkelde discussies over institutionele veranderingen in het Verdrag van Amsterdam goed voor zijn, zegt Michiel Patijn. “Maar dan kun je ook zeggen: wat kopen we nou voor de regeling in onze Grondwet over de verhouding tussen staatshoofd, regering en Staten-Generaal? Het is wèl de basis van vreedzame samenwerking en conflictoplossing.”

Als Schelto Patijn zijn leven mocht overdoen, zou hij kiezen voor een Europese carrière, zegt hij. “Mijn handen kriebelen ook wel een beetje om tijdens deze top mee te praten.” Maar verwacht dan geen vlammend betoog van de burgemeester, ook zijn imaginaire bijdrage is een bestuurlijke: “Ik zou zeggen: wat je ook beslist, beslis nu. Of, als je er niet uitkomt, leg dan vast op welke datum je er wél uitkomt. Als je lekker aan het koken bent moet je daarna meteen gaan eten, niet plotseling het gas uitdraaien en het gerecht in de ijskast zetten.” Schelto Patijn is nooit een bevlogen federalist geweest, zegt hij “ook niet toen ik Europarlementariër was.”

Als het aan deze bestuurders ligt, wordt de Amsterdamse Eurotop een succes. Administratief is alles in orde. Geen naarstig getelefoneer in de laatste minuten, geen knopen doorhakken in de laatste seconde. Wie de broers een paar dagen voor de top onafhankelijk van elkaar sprak, zag twee ontspannen heren die zelfverzekerd zeiden: “Mijn werk voor dit moment is klaar.” Schelto Patijn: “Ik ga niet een beetje heen en weer lopen en roepen: 'oh jee, alles gaat mis.' Ik wacht rustig af.” Michiel Patijn: “Het verdrag is klaar. Kijk, hier hebt u het. Er zijn twee of drie dingen waar verschil van mening over bestaat. Maar ik denk dat het gaat lukken.”

Voelen de burgemeester en staatssecretaris zich in hun posities verantwoordelijk voor het slagen van van de top?

Schelto Patijn: “Verantwoordelijk? In godsnaam niet voor de inhoud. Daarvoor moet u bij mijn broertje zijn. Ik ben er verantwoordelijk voor dat het hier gezellig en leuk is in de stad. Er kan een tram over een kabel rijden waardoor drieduizend journalisten geen stroom hebben. Dan zal iedereen roepen: wat een rotstad is Amsterdam. Zoals in Maastricht toen al die journalisten ziek werden van een salmonella-bacterie. Maar een nachtmerrie-scenario is er niet, geen aanslag van de IRA of de ETA.”

Michiel Patijn: “Op mijn niveau zijn we het eens. Als de voorzitter vindt dat de conferentie onvoldoende is voorbereid, dan kan je mij en minister Van Mierlo aanspreken. Maar ik zit daar niet aan tafel, ik sluit de deals niet. Ik ben natuurlijk wel beschikbaar als er problemen zijn. Het nachtmerrie-scenario is dat politieke problemen zijn onderschat en zodanig opspelen in de binnenlandse politieke discussie, dat een compromis onmogelijk wordt. Maar ik verwacht niet dat zoiets gebeurt.”

Schelto Patijn: “Wij (in Amsterdam, red.) zijn al anderhalf jaar bezig. Het kost de overheid meer dan dertig miljoen gulden, maar het is alleszins de moeite waard. Wie zijn hier allemaal al niet geweest voor de vergaderingen van de Raden van ministers? En ik hoor na afloop steeds van alle kanten dat de ministers het hier gezellig hebben gehad. Dat spreekt zich voort. Daar moeten we het van hebben. De vooroordelen tegen Amsterdam van sex and drugs and Rock 'n' Roll moeten worden weersproken door de mensen die hier zijn geweest en zeggen: het is een hele normale stad.”

Michiel Patijn: “Wij (in de Intergouvernementele Conferentie, het onderhandelingsproces dat Patijn leidt, red.) hebben maandenlang als gekken gewerkt. Vijftien landen op tweehonderd punten bij elkaar brengen. Het is een kwestie van uren maken. Je moet eerst inventariseren, dan ordenen, dan onderhandelen. Al die opmerkingen opschrijven, al die gevoeligheden aftasten, met een tekst komen, nog een keer erover praten, met een nieuwe tekst komen en dan weer erover praten. En dan weer een tekst. Ik ben het steeds leuker gaan vinden, je krijgt de nuances steeds meer in de vingers: tegenstrijdige politieke wensen doorpraten en op eén noemer krijgen. Achter elk punt zitten eigen werelden en belangen. Op een gegeven moment ken je die allemaal. Dat is leuk.”

Europa hangt op de kleine dingen, vinden de broers. Vijftien landen die moeten toetreden tot een Europese Unie die in de huidige samenstelling al nauwelijks besluiten kan nemen, een eenheidsmunt die tegen de klippen van begrotingstekorten op moet worden ingevoerd - het zijn geen thema's waar de Patijnen emotioneel van worden. De EU moet worden uitgebreid, de EMU moet er komen, de discussie over het waarom van dat alles is wat hen betreft een gepasseerd station. Bij ratificatie van het Verdrag van Rome in 1957 ging de zwaarste motie die de Tweede Kamer indiende, over de vraag of de belangen van de tabaksindustrie wel veilig waren gesteld. Dát vindt Schelto Patijn nu mooi. “Lekker Nederlands.”

Michiel Patijn meent dat de discussie over of Europa een superstaat moet worden of een optelsom van soevereine landen, achterhaald is. “Nu we de geo-strategische keuze hebben gemaakt om de Oost-Europese landen toe te laten treden, moeten we eerst eens kijken hoe we dat gaan organiseren. Misschien kunnen we de discussie over federalisme in Europa in het jaar 2030 dan nog eens hernemen.” Schelto Patijn noemt de justitiële samenwerking in Europa (de zogeheten 'derde pijler') een “ongelukkig dossier”. “Wat moeten we op dat gebied nu met elkaar afspreken? Dat we de criminaliteit gaan bestrijden? Natuurlijk doen we dat! Kom nou, wat een onzin.”

Michiel Patijn vertelt geestdriftig over creosoot. Deze kleurloze olieachtige vloeistof beschermt hout tegen bederf en is daarom van levensbelang voor de honderdduizenden houten paaltjes waarmee in Nederland slootkanten worden geschoeid. Creosoot is echter ook uiterst giftig. Om de kwaliteit van het drinkwater te beschermen wil Nederland scherpe eisen stellen aan de productie van 'creosoot-palen'. In Spanje zijn minder sloten, regent het minder, dus daar wil men de productie van de palen vooral goedkoop houden. Creosoot heeft zich ontwikkeld tot een gevoelig punt tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Amsterdam, zegt Patijn. Maar inmiddels is een oplossing gevonden: als na de vaststelling van een Europese norm Nederland een strengere norm wil hanteren, dan mag dat, mits die norm niet wordt gebruikt om buitenlandse concurrentie te weren. Een succes van het Nederlandse voorzitterschap.

Michiel Patijn: “Het is absoluut noodzakelijk dat je bij ieder besluit keihard knokt voor de nationale belangen. Je kunt het niet overgieten met een metafysische saus van: het is allemaal voor Europa. Nederland is in tien jaar van netto ontvanger tot relatief de grootste betaler geworden. Dan kom je op het punt van: hé, dit gaat er uiterst ongunstig uitzien, we moeten een grens trekken. Bij de nieuwe onderhandelingen over de uitgaven in 1999 zullen we zeer zorgvuldig onze knopen moeten natellen.”

Schelto Patijn: “Dat wij netto-betaler zijn zijn geworden, is de logische consequentie van de rijkdom die we hebben verworven, mede dankzij Europa. De EU is een solidaire gemeenschap. Bovendien hebben we de Nederlandse belangen de afgelopen jaren uitstekend behartigd. Onder een federale saus weten wij onze belangen buitengewoon goed te verdedigen. Als je alles wat we in de jaren zestig, zeventig en tachtig hebben ontvangen uit de EG bij elkaar optelt, dan is wat we nu betalen minder dan de rente die we daarvan zouden ontvangen. Waar Bolkestein zo voor pleit, dat gebeurt al veertig jaar. Je moet er alleen niet zo over zeuren.”Michiel Patijn: “Als het om het nationale belang gaat, zeur je volgens mij niet zo snel. Europa is ingewikkelder geworden, ondoorzichtiger, dan is juist het besef nodig dat je moet knokken voor het nationale belang. Als Bolkestein zegt: 'We mogen het nationale belang niet vergeten', denk ik: 'Dat had ik ook kunnen zeggen'. Als mijn broer zegt: 'Je mag daar niet over praten', dan ben ik het niet met hem eens. Dat komt niet vaak voor.”