Westafrikaanse diplomaten vragen steun EU-richtlijn

DEN HAAG, 14 JUNI. De ambassadeurs M. N'tji Laïco Traoré en M. Raymond Balima van de Westafrikaanse landen Mali en Burkina Faso hebben in een brief aan de Tweede Kamer opgeroepen de zogeheten Chocolade-richtlijn van de Europese Commissie te ondersteunen. Die richtlijn vormt op het ogenblik onderwerp van debat tussen minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) en de Kamer.

Pronk is tegen de richtlijn omdat die toestaat dat in chocolade een bepaald percentage cacaoboter mag worden vervangen door een andere stof. De bewindsman vreest dat dit desastreuze gevolgen heeft voor cacao producerende ontwikkelingslanden.

De twee diplomaten wijzen er in hun brief echter op dat hun landen de grootste exporteurs zijn van 'sheanoten', die veelal als vervanger van cacao-boter dienen. De notenexport van de twee landen maakt voor twintig procent deel uit van hun totale inkomsten uit export. “Het zijn vooral de vrouwen in de dorpen die ze plukken en verwerken. Dit is de belangrijkste bezigheid van deze vrouwen en heeft bij ons prioriteit bij de ontwikkeling van het platteland. De productie van sheanoten leidt tot integratie van de economie op het platteland,” aldus de ambassadeurs.

“Gezien het feit dat u er altijd voorstander van bent geweest dat lokale economieën worden versterkt, gaan wij er van uit dat u ons wilt helpen de export van sheanoten op peil te houden en verder te verbeteren”, zo schrijven de diplomaten. Zij wijzen er voorts op dat 'de natuur door het klimaat de beide landen niet heeft begiftigd met de mogelijkheid cacao te verbouwen'.

Onder verwijzing naar de Lomé-overeenkomst roepen ze het Nederlandse parlement op om 'gelijke behandeling en solidariteit' hoog te houden door de betreffende Europese richtlijn te ondersteunen.

Het Nederlandse cacaocomité heeft eerder dit jaar de Europese ministers voor Ontwikkelingssamenwerking opgeroepen juist een verbod te handhaven op een gedeeltelijke vervanging van cacaoboter in chocolade door andere vetten.

In Nederland geldt dit verbod sinds 1973. Het voorstel dat nu bij de Europese Unie op tafel ligt druist in tegen het beleid voor ontwikkelingssamenwerking en heeft dramatische gevolgen voor de economieën van ontwikkelingslanden in met name West-Afrika, aldus het cacaocomité.

Volgens de Nederlandse Stichting voor de Chocolade-industrie doelt het comité daarmee op de belangen van met name Ivoorkust, dat een belangrijke cacao-exporteur is en gaat het blijkens de brief van de ambassadeurs van Mali en Burkina Faso voorbij aan de belangen van andere ontwikkelingslanden die geen cacao kunnen produceren, maar wel vervangende vetten.

Volgens het voorstel van de Europese Commissie mogen lidstaten straks zelf bepalen of ze gedeeltelijke vervanging door andere - goedkopere - plantaardige vetten toestaan tot vijf procent van het totale gewicht van de chocolade. Pronk wil daar gezien zijn opstelling tot nu toe dus niet aan. In zeven van de vijftien lidstaten gebeurt het overigens al wel.

In de acht andere landen, die het grootste deel van de chocoladeproductie in de Unie voor hun rekening nemen, is het echter tot nu toe verboden. Maar het comité zei in maart te vrezen dat zij onder druk van de eigen chocolade-industrie zullen bezwijken.

Ook voor Nederland zou handhaving van het verbod volgens de producenten een enorme klap betekenen. Nederlandse chocolade staat in de top tien van exportproducten en Amsterdam is de grootste cacaohaven in de Europese Unie.