Voor de fiscus is een tatoeage geen kunst

Bij het zomerse weer komen ze letterlijk bloot: de kunstwerken die mensen onuitwisbaar op hun huid laten etsen. Draken, guirlandes of geliefden. Soms zijn het ware kunstwerken. Tegelijk met hun artistieke waarde, leggen de tatoeages ook een fiscaal probleem aan de oppervlakte. Belichamen de tatoeages naar de mening van de belastingambtenaren een vorm van kunst?

Tussen de belastingdienst en de fiscus bestaat een curieuze relatie. Het 'Tattoo Museum Amsterdam' zou vernoemd zijn naar H.I. Frank, een Amsterdamse hoofdcommies der belastingen, wanneer dat niet tot veel verwarring had geleid met het Anne Frankhuis.

Het museum is de eerste instelling ter wereld die zich op het gebied van de tatoeage wetenschappelijke en museale pretenties aanmeet, zegt oprichter Henk Schiffmacher. “En we hadden met belastinginspecteur Frank een adviseur met kennis van zaken. Hij was een specialist op het terrein van de tatoeage en belastingen”, vertelt Schiffmacher. “Zijn tattoo's zijn altijd keurig verborgen gebleven voor zijn collega's. Totdat hij kort voor zijn pensioen opeens volgetatoeëerd het gebouw van de belastingen aan de Wibautstraat kwam binnenstappen. De Borneo- en soldaat Zweig-tattoo's hebben daar veel opschudding teweeg gebracht.”

Op de belastingkantoren stuit deze vorm van lichaamsversiering nog steeds op onbegrip. Zo voelt een Alkmaarse belastinginspecteur er niets voor een tatoeage als kunstvorm in de zin der (belasting)wet te beschouwen en de daaraan verbonden belastingvoordelen toe te kennen.

Dat is volgens een belastinginspecteur, die anoniem wenst te blijven, nog niet eens een kwestie van smaak. Als de tatoeëerder zijn in dit geval niet betwiste artisticiteit op een klassieke manier op schilderslinnen zou penselen, zou hij alle fiscale hindernissen ontlopen. Maar een wandelend schilderij ligt toch iets anders.

Een tatoeage heeft nog de meeste gelijkenis met kunstzinnige kleding, aldus de inspecteur. En kleding kan volgens de Hoge Raad niet als kunstzinnig gelden. Alles wat functioneel is, zoals een vaas of een kledingstuk wenst het hoogste rechtscollege niet als kunst te beschouwen omdat kunst per definitie geen practisch nut heeft.

Men kan tegen dat standpunt inbrengen dat men een tatoeage per definitie juist nooit uit kan trekken zoals een willekeurig kledingstuk, terwijl het praktisch nut nihil is. Maar toen dat standpunt onlangs voor de Amsterdamse belastingrechter mr. Bijl naar voren werd gebracht, bleek dat ook geen uitkomst te bieden. De lijfsgebondenheid van een tatoeage belemmert sinds de afschaffing van de slavernij de verhandelbaarheid ervan.

Kunst die je niet kunt veilen of wegschenken, heeft geen geprivilegieerde fiscale status. Of in juridische termen vertaald: een getatoeëerde huid is geen voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object dat als zodanig kan worden geleverd.

Wat zou je bij een andere benadering aan moeten met narcistische lieden die het onderhoud van hun lijf gelijkschakelen met de kosten voor het in goede staat houden een kunstwerk? Wie zo doorredeneert moet aan de Walletjes de fiscale faciliteiten voor een art-gallerie toekennen.

De fiscale afwijzing van deze benadering door de Amsterdamse belastingrechter is een tegenslag voor de tatoeëerders voor wat betreft de BTW-heffing. Nu vallen zij krachtens de rechterlijke uitspraak onder het normale tarief van 17,5 procent in plaats van het vriendelijker kunsttarief van 6 procent.

“Ik ben lid van de bond van beeldende kunstenaars. Tattoo's zijn kunst”, zegt Schiffmacher, eigenaar van tattoo-shop Hanky Panky.

Hij is verbaasd over het gebrek aan kennis bij de Amsterdamse belastingrechter. Maar het scherpt de inventiviteit. “Ik ga vanaf nu een tattoo op papier verkopen voor bijvoorbeeld honderd gulden. Dat is kunst. En voor een bedrag van een rijksdaalder breng ik de tattoo vervolgens aan. Ik ruk het tattoo-bord van de deur en doop de zaak om in een tattoo-gallerie. Iedereen weer tevreden. Of zou die belastingmeneer daar ook weer bezwaar tegen hebben?”