Vogelsnelheid

HET SEIZOEN BEGINT een beetje te verlopen, veel jonge vogels zijn inmiddels uitgevlogen of zelfs al zo groot of snel dat ze niet makkelijk meer het slachtoffer worden van kraaien, zilvermeeuwen of reigers. Voor de verantwoordelijke ouders/verzorgers is er goed beschouwd niet veel reden meer om zich druk te maken over de aanwezigheid van de notoire kinderrovers en het is dus eerder macht der gewoonte dan noodzaak als ze dat wel doen.

Want ze kunnen het niet laten. Zodra kraaien, meeuwen of echte roofvogels in de buurt komen van bevolkte broedgebieden stijgt allerhande klein gevogelte op om ze te verdrijven. Net zo lang worden de voorbijgangers uitgescholden en gehinderd tot ze geërgerd het veld ruimen.

Niets bijzonders. Op een kleinigheid na: theoretisch kan het niet. Aerodynamische basisregels sluiten uit dat kleine vogels grote vogels inhalen. Of iets zorgvuldiger geformuleerd: om vliegtechnische reden moeten grote vogels, met hun ongunstige quotiënt van gewicht en vleugeloppervlak, harder vliegen dan kleine vogels om in de lucht te blijven en in de natuur geldt: wat moet, dat kan. Ze vliegen ook harder.

Althans, dat beweert de meteoroloog/vliegtuigbouwer Henk Tennekes in het boek 'De wetten van de vliegkunst' dat in 1992 bij Aramith verscheen. De Delftse vliegtuigbouwer Tennekes zag het als een uitdaging aan te tonen dat allerlei elementaire vliegtuigformules ook glashard zijn toe te passen op vliegende vogels. Hij nam de proef op de som en waarachtig: het kon. Uit een combinatie van gewicht en vleugeloppervlak berekent hij met een oerformule de vliegsnelheid, zet die in een grafiek en zegt dan: de snelheid is precies wat de theorie voorschrijft. Gewichten en vleugeloppervlakken zijn gedestilleerd uit een wat obscure, oude publicatie van de Amerikaanse onderzoeker C.H. Greenewalt die het kennelijk ook niet de moeite vond om de vliegsnelheden te meten. Pijnlijker is dat McMahon en Bonner in 'On size and life' (Freeman, 1983) dezelfde bron op dezelfde manier gebruiken. Zo moest wel de indruk ontstaan dat het geaccepteerde theorieën zijn. Dat grote vogels echt sneller zijn dan kleine.

Tennekes toonde zich zo door zichzelf (of McMahon en Bonner) overtuigd dat hij niet terugdeinsde voor conclusies waar menig bioloog van moet hebben opgekeken. Zeevogels zijn groter dan landvogels omdat het aan zee harder waait, goudhaantjes leven in het bos omdat ze aan het strand wegwaaien. Zwaluwen moeten al bij windkracht vier aan de grond blijven. In het Krijt woei het nauwelijks, want de vliegende reptielen uit die tijd konden nauwelijks vliegen. En nog veel meer. Zou het allemaal wel waar zijn, dat is hier de vraag.

Het is niet eenvoudig om betrouwbare gegevens te verzamelen over vliegsnelheden van vogels. Een enkele keer heeft men het geluk om bij het sprinten op de dijk tussen Marken en Waterland te worden ingehaald door spreeuwen die dezelfde kant op moeten. De fietsteller staat op 40 km/u, de spreeuwen passeren moeiteloos. Toch kunnen ze volgens de Delftse formules niet veel harder dan 37 vliegen. Andere aanwijzingen komen uit vergelijkend veldwerk, van het soort: wie haalt wie in. Dat zwaluwen minder hard vliegen dan kraaien, mussen of fazanten, zoals Tennekes berekent, is nauwelijks vol te houden.

Het bekende BINAS-boekje, een compilatie natuurwetenschappelijke gegevens voor het middelbaar onderwijs, heeft een intrigerende tabel met 'Gegevens van een aantal diersoorten' waarin voor 23 vogels gewichten en vliegsnelheden zijn samengebracht. De tabel is, zegt de oud-redacteur die hem destijds opstelde, met moeite bijeengesprokkeld uit 'Grzimek', de 'oude Brehm' en losse opgaven van biologen en medewerkers van dierentuinen. Per vogelsoort valt de bron niet meer te achterhalen.

Er schuilen wat onzuiverheden in de opgaven. Dat de slechtvalk sneller vliegt dan een kogel terugvalt naar de aarde lijkt wel erg kras. Weinigen zullen kippen (topsnelheid 90 km/u) spreeuwen en ganzen hebben zien inhalen. De topsnelheid van koolmees en pimpelmees moet toch wel wat hoger zijn dan 29 km/u. Maar interessant is dat het Binas-boekje stelselmatig veel, regelmatig héél veel hoger uitkomt dan Tennekes. De boerenzwaluw vliegt bij Tennekes maar 22 km/u, in het Binas-boekje ruim 122 km/u. Spreeuw en postduif vliegen bij Binas ruim twee keer, de kolibrie bijna zes keer zo snel als de vlietuigbouwer berekent.

De Encyclopaedia Britannica legt uit wat het probleem is. De metingen in het veld zijn moeilijk omdat de snelheid over de grond sterk beïnvloed wordt door de windsnelheid (die vaak niet goed bekend is). Er komt bij dat vogels hun snelheid kunnen variëren. Behoedzaam houdt de Britannica het op een heel globale tabel (met 'gezonde' gegevens) waaruit bijna niets is af te leiden, maar wel dit: een relatie tussen grootte en snelheid staat absoluut niet vast. Er zijn heel trage grote vogels en heel snelle kleine.

Het is duidelijk: hier is nog ruimte voor de amateur-onderzoeker. Om aan de onzekerheden een eind te maken is van AW-wege een onderzoek begonnen naar de vraag of de vliegtuigformules dan misschien toepasbaar zijn op de papieren vogels van het soort dat hier is afgebeeld. Twee kleintjes met een 'gewicht' (massa) van precies 5 gram en een ervan opgeschaald in krantenpapier (met paperclip) tot 11,5 gram. De Delftse formules voorspellen kruissnelheden van 2,4 tot 3 meter per seconde, maar nu al staat vast dat zelfs bij het dubbele daarvan een fatale crash niet wordt voorkomen.