Vishandelaar uit Den Helder beproeft zijn geluk in Zee van Ochotsk; Schar in Siberië

Onder druk van de Nederlandse vangstbeperkingen vertrok vishandelaar Koos Kalkman in 1991 naar het Siberische schiereiland Kamtsjatka. De Nederlands-Russische joint-venture Holkam verschaft inmiddels werk aan vijfhonderd mensen. Maar de supermarkten zijn te duur voor de lokale bevolking en de vloot blijft door de zware storm aan de wal gekluisterd.

Anatoli Sjotin geldt als de beste kapitein van Ozernaja, een vissersdorp op de zuidpunt van het Siberische schiereiland Kamtsjatka. Een reus van een kerel, 38 jaar oud, kort donker baardje en drie gouden tanden. Door zijn nautisch vakmanschap en behendigheid in het vangen van tong, schol, zalm en kabeljauw staat hij hoog aangeschreven in de plaatselijke vis-kolchoz Krasny Troezjennik, ofwel De Rode Werker. Maar vandaag is ook hij tot werkeloosheid gedoemd, omdat de weersvoorspelling te ongunstig is om uit te varen. De 22 kotters die de kolchoz telt, liggen al een dag of tien aan de wal wegens harde wind, die regelmatig tot stormkracht aanwakkert. De bootjes zijn te klein om een zware golfslag op de aangrenzende Zee van Ochotsk te trotseren.

Sjotin omschrijft zijn gemoedstoestand met het Russische equivalent van 'balen'. Zoals alle 170 opvarenden van de vloot (acht man per schip) staat ook hij te popelen om de netten weer uit te werpen. “Het is om uit je vel te springen. De zee zit boordevol vis, maar we kunnen er niet bij, dus valt er niets te verdienen.” Sjotins kotter is een stokoud geval, maar wel van moderne apparatuur voorzien, waaronder Decca voor de plaatsbepaling en echolood om scholen vis op te sporen. In zijn Russisch is ook een woord van Nederlandse oorsprong te horen: kajoet, stammend uit de tijd van Peter de Grote, die het vak van scheepsbouwer in Zaandam had geleerd. In Sjotins kajoet komt, bij de zwarte koffie, een licht gebakken Japanse schar op tafel, want die hebben ze bij elke weersgesteldheid voorhanden.

Het is voorjaar in het onherbergzame verre oosten van Siberië, bijna twaalfduizend kilometer van Nederland, dichtbij de datumgrens. Op het schiereiland Kamtsjatka, gelegen tussen enerzijds de Zee van Ochotsk en anderzijds de noordelijke Stille Oceaan en de Beringzee, is de afgelopen winter een recordvracht aan sneeuw gevallen. In Ozernaja liggen de hopen nog hoog opgetast, besmeurd met de zwarte vulkanische aarde die hier de straten bedekt. Geen lust voor het oog, dit vissersdorp aan de monding van de rivier Ozernaja. Wie hier een soort Urk of Volendam met schilderachtige huisjes verwacht, komt bedrogen uit. Haveloze woonblokken van vier of vijf hoog dienen de vierduizend inwoners als onderkomen. Winkels of cafés, die enige fleur of vertier zouden kunnen bieden, zijn niet te bespeuren. Men leeft hier bovendien bijzonder geïsoleerd: voor een bezoek aan de hoofdstad Petropavlovsk, 250 kilometer naar het noordoosten, zijn de bewoners op vliegtuig, helikopter of schip aangewezen, want wegen of spoorlijnen zijn er niet.

Een primitieve brug verbindt Ozernaja met zijn tweelingdorp Zaparodze op de rechter rivieroever, ook al zo'n grauwe nederzetting. Zaparodze heeft één afwijkend element: een opvallend witte bedrijfshal. Het is de visverwerkingsfabriek van de Russisch-Nederlandse joint-venture Holkam (Holland-Kamtsjatka). Die kwam begin jaren negentig tot stand op initiatief van Koos Kalkman, directeur van een gelijknamige visgroothandel in Den Helder, en zijn rechterhand Liesbeth Scholten. Hun bedrijf is de Nederlandse poot (49 procent van de aandelen) van het commerciële samenwerkingsverband, dat in Petropavlovsk zijn hoofdkantoor heeft. Russiche partner in de joint-venture is de geprivatiseerde en in vis gespecialiseerde handelsonderneming Kamtsjatimpex.

Streng verboden

Het verlangen van Kalkman om zijn vleugels breder uit te slaan, dateert uit de jaren tachtig, toen Nederland met vangstbeperkingen en visquota te maken kreeg en de aanvoer stagneerde. Via een Pools fileerbedrijf kwamen hij en zijn medewerkster in contact met het verre Kamtsjatka, waar de rijke visgronden interessante commerciële perspectieven boden. In internationale visserijkringen is Kamtsjatka trouwens een bekende naam, omdat er een wereldvermaarde krabsoort (de Tsjatkacrab) vandaan komt. Wie het familiespel Risk beoefent, moet er ook van weten, want daarin figureert het bergachtige schiereiland, dat tot 1990 voor buitenlanders nog streng verboden was, als een belangrijk strategisch doel.

Tussen februari en september 1993, twee jaar na oprichting van de joint-venture met de Russen, verrees in Ozernaja / Zaparodze de visverwerkingsfabriek, waarvan de onderdelen per schip uit Nederland werden aangevoerd. Liesbeth Scholten, die voor deze investering van ruim 21 miljoen gulden de financiën regelde, verbleef destijds acht maanden onder barre omstandigheden in het troosteloze oord om leiding te geven bij de bouw van de fabriekshal en de productie op poten te zetten.

Productie wil in dit geval zeggen: het verwerken van een gevarieerde reeks vissoorten tot panklare levensmiddelen. Dat komt neer op schoonmaken, kop en staart verwijderen, in moten snijden of fileren (de graten eruit) en invriezen.Een geweldige verbetering vergeleken met vroeger, toen het delicate vlees van zalm, krab en tong meestal werd vermalen tot vismeel of aan boord van fabrieksschepen in ruwe blokken werd geperst, die in Vladivostok voor een schijntje van de hand gingen. Nu komt er uit Ozernaja een hoogwaardig product, dat zeker op de wereldmarkt (Japan, Europa, de Verenigde Staten) een navenante prijs opbrengt. Leverancier van het levende materiaal is kolchoz De Rode Werker, die hier vanouds de visrechten bezit en sinds 1993 volgens contract al zijn vangsten voor Holkam bestemt.

Witte rum

Het loopt al tegen elven 's avonds als ik per helikopter uit Petropavlovsk bij de fabriek arriveer. Daar wacht me een delegatie van de staf onder leiding van plant manager Nikolaj Serebrennikov, voormalig voorzitter van de kolchoz. Normaal staan hier tussen april en oktober gemiddeld 140 mensen aan de lopende band, voor het merendeel vrouwen. Maar omdat er geen vis wordt aangevoerd valt er ook niets te snijden en in te vriezen. “We beginnen lichtelijk nerveus te worden”, meldt Serebrennikov. “Tien dagen duurt het nu al en we worden het wachten zat.”

Hij brengt me naar de kantine, waar een vorstelijk maal gereed staat. Hoofdbestanddeel is een gefileerde tong, vergezeld van gebakken aardappelen, zuurkool en een mengsel van fijngemaakte tomaat en erwten. De wodka was toevallig op, maar daarvoor in de plaats wist men twee flessen witte rum uit een oude voorraad op te diepen. Een van de disgenoten is Yasuhiro Monden, een 32-jarige Japanner, die hier namens een grote afnemer in Tokio als viscontroleur werd gestationeerd: een treffend bewijs van het culinaire belang dat Kamtsjatka voor Japan vertegenwoordigt. Maar de man is zeer bedroefd. Hij heeft zojuist vernomen dat zijn vader is overleden en zal morgen met dezelfde helikopter als ik naar Petropavlovsk reizen om vervolgens een vliegtuig naar huis te nemen.

Tussen Ozernaja en Petropavlovsk is er een onregelmatige pendeldienst per helikopter. Het toestel stijgt slechts bij gunstig weer op - en in het ruige klimaat van Kamtsjatka kan dat geruime tijd uitblijven. Kalkman en bedrijfstolk Larisa Snytkina hebben ooit tien dagen in het vissersdorp vastgezeten, toen voorjaarsstormen aanzwollen tot een cycloon. Ten slotte zijn zij toen met een legertank opgehaald en na een rit van twintig uur langs de kust en over bevroren rivieren veilig in Petropavlovsk afgeleverd.

Kip en hotdogs

Met de 'reguliere' helikopter keer ik terug in de hoofdstad Petropavlovsk, die 230.000 zielen telt en zich uitstrekt langs de Avachinskibaai. “Bijna net zo groot als de baai van San Francisco”, mag men hier graag verkondigen, maar daarmee houdt de overeenkomst op. Het Siberische decor, bestaande uit hoge besneeuwde bergen, mag dan schitterend zijn, Petropavlovsk zelf is dat allerminst. Een slordig neergeplempte stad vol woonkazernes, groezelig tot op het bot en extra ontsierd door bovengrondse pijpleidingen voor de warmwatervoorziening. Geen weg of er zitten kuilen in, die de automobilist tot gevaarlijk laveren dwingen. “Shabby, so shabby”, zucht Larisa, “maar er is eenvoudig geen geld om het allemaal op te knappen.”

In het centrum bij de haven, waar Lenin in wapperende overjas op zijn sokkel is blijven staan, exploiteert de joint-venture een supermarkt, wat op te maken valt uit een reusachtig bord: 'Holkam supermarket' in Westers en cyrillisch schrift en een pictogram van een winkelwagentje. De schappen zijn redelijk gevuld. Behalve levensmiddelen en drank zijn er kleding, schoeisel en rollen behang te koop; een bijbehorende snackbar serveert kip met brood en hotdogs. Maar zo te zien zit de loop er niet in. “Dat klopt”, zegt Larisa, “de mensen gaan liever naar de open-luchtmarkt, waar alles eenderde goedkoper is. Dat geeft meestal de doorslag, want sinds de perestrojka is de armoede ontzettend toegenomen.”

Holkams supermarkten - er zijn er twee - draaien zelfs met verlies, zoals ik op het hoofdkantoor verneem. Dat is gevestigd in een witgepleisterd bouwwerk, waar ook andere firma's zijn ondergebracht. De Russisch-Nederlandse combinatie is met vijfhonderd man personeel, deels seizoenwerkers, een van de grootste. Naast visverwerking, verreweg de belangrijkste tak, en de winkels heeft Holkam twee schepen in de vaart en participeert het bedrijf in een lokale textielfabriek.

Ten slotte kent de joint venture een agrarische afdeling, die uit een regionale sovchoz (staatsboerderij) is voortgekomen. Ze betrekt pootaardappelen van het merk Fresco en verscheidene groenten uit Nederland om ze in Kamtsjatkaanse grond te vermenigvuldigen. De oogst wordt als poot- of zaaigoed verkocht aan kleine boeren met enkele hectaren grond en aan particulieren, die de gewassen telen bij hun datsja (zomerhuisje) en de opbrengst zelf consumeren of aan derden verkopen. “Dit alles terwille van de broodnodige variatie”, vertelt Aleksander Garin, die deze sector behartigt. “Kamtsjatka drijft bijna uitsluitend op vis, een uitgesproken monocultuur met alle gevaren van dien voor de regionale economie. Men is dus gebaat bij meer economische verscheidenheid.”

De introductie van een buitenlands aardappelras in Rusland behoeft de goedkeuring van autoriteiten in Moskou, waarna de desbetreffende knol in de officiële catalogus wordt opgenomen. Dat is met Fresco gebeurd, maar volgens Garin zou het op veel grotere schaal kunnen als de Nederlanders maar beter hun best deden. “Alleen al in Siberië liggen op dit gebied zoveel kansen, dat ik niet begrijp waarom ze in Nederland de zaak niet serieuzer aanpakken. De correspondentie met Moskou wordt ernstig verwaarloosd.”

Oranjeboom

Inmiddels zijn de Nederlandse invloeden in Kamtsjatka dankzij Kalkman uit Den Helder wel degelijk waarneembaar. In de kantine van de visfabriek te Ozernaja zag ik al asbakken met opschrift 'Oranjeboom', terwijl ordners van 'Overtoom' zich aaneenscharen in het bureau van Holkam-directeur Vladimir Sjtsjerbakov. Het is een compacte, breedgeschouderde Rus, die 52 jaar geleden in Kazachstan werd geboren, naar Petropavlovsk verhuisde en daar jarenlang als vertegenwoordiger van een Japanse visgroothandel optrad. Sinds 1995 staat hij aan het hoofd van de joint-venture, die ook al zoveel zaken met het visverslindende buurland doet.

“Vorig jaar”, vertelt Sjtsjerbakov, “hebben we alleen al aan nerka, de rode zalm, die als de fijnste soort wordt beschouwd, zo'n 1.500 ton omgezet, gereed product wel te verstaan. Die hoeveelheid is geheel en al geëxporteerd, voornamelijk naar Japan. Er is geen kilo in Rusland gebleven.” Dat is nu juist een bittere klacht van vele Russen: de waarlijk edele vissen zijn niet voor hen weggelegd, men zoekt ze ook in Holkams eigen supermarkt tevergeefs. Sjtsjerbakov: “We kunnen het niet ontkennen, maar er is een simpele verklaring voor: het buitenland betaalt zoveel meer en we kunnen de harde valuta, de yens en de dollars, eenvoudig niet missen.”

Over het rendement van de onderneming wil hij niet klagen. De supermarkten mogen dan verlies lijden - er waren er drie, maar één is er al gesloten - en de agro-afdeling zou dan aanzienlijk beter kunnen, het gemiddelde profijt is dankzij de visverwerking “niet onbevredigend, in elk geval genoeg om het hoofd boven water te houden”. “Maar”, laat Sjtsjerbakov er haast bezwerend op volgen, “dan moet de vloot in Ozernaja niet te lang voor de wal blijven liggen.” Onwillekeurig kijkt hij naar buiten naar de lucht.

In een van de burelen bij Holkam gaat een complete muur schuil achter een Russische wereldkaart, zo groot dat Nederland er zelfs met vijf plaatsnamen op vermeld staat: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen en Den Helder. In het laatste geval waarschijnlijk omdat Den Helder, net als Petropavlovsk, een marinebasis is. Ze liggen toevallig ook op dezelfde breedtegraad: de 53ste. Maar dat er uit dat Noord-Hollandse stadje een vishandelaar naar Kamtsjatka zou komen, had men hier, aan de andere kant van de wereld, nooit kunnen bevroeden. Kalkman en zijn Siberische avontuur - er wordt in Petropavlovsk en Ozernaja nog steeds met bewondering van gerept. Sjtsjerbakov: “Kalkman had de moed hier te investeren en nieuwe technologie te brengen, zodat we kunnen concurreren op de wereldmarkt. En dat niet alleen: er zijn in Kamtsjatka ook nog eens vijfhonderd banen geschapen. Dat is deels seizoenwerk, dat geef ik toe, maar het is toch een vooruitgang, zeker voor een armelijk plaatsje als Ozernaja, dat ten dode was opgeschreven.”

Kalkman heeft de slag gewonnen - tot op heden. Als de kotters van Ozernaja tenminste snel zee kiezen. Dat laatste staat spoedig te gebeuren. Op de dag van mijn terugkeer naar Moskou hoor ik dat de scheepsmotoren na twee weken stilstand weer in beweging kwamen. Kapitein Sjotin en de andere rode werkers vissen weer, op Japanse schar, heilbot, tong en Alaskaschol. Morgen zal de fabriek van Nikolaj Serebrennikov naar verwachting op volle toeren draaien.