Snel sparen

Een snelle reclamejongen werkt voor een bureau dat niets doet aan pensioen voor het personeel (wettelijk niet verplicht), maar wel een fiscaal voordelige spaarloon- en premiespaarregeling biedt. Die twee zijn, samen met de winstdelings- en aandelenoptieregeling, op 1 januari 1994 omgebouwd tot profijtelijke spaarplannen.

Het reclamebureau heeft een contract gesloten met een spaarbank voor de administratie en het beheer van de ingelegde gelden. De wetgever stelt eisen aan zo'n plan wegens die fiscale voordelen. Mede daardoor is dit fenomeen voor werknemers niet te doorgronden. Ze weten niet waar ze aan meedoen en daar maakt de verzekeringswereld dankbaar misbruik van.

De reclameman moet iets doen voor later en begint met bedrijfssparen. Snelle verzekeringsjongens, vrienden, praten onophoudelijk op hem in om een lijfrenteverzekering af te sluiten. De premie is aftrekbaar van het belastbare inkomen en in combinatie met een spaarregeling kost dat per saldo niets. Althans, zo praat de verzekeringswereld tegen het volk. In werkelijkheid is die bewering niet juist, want zo'n polis is een knellend fiscaal corset met vele nadelen.

De deelnemer in de onderhavige spaarloonregeling (SLR) stort een deel van zijn bruto (vuile) maandinkomen op een speciale rekening bij de spaarbank. Het maximum voor 1997 bedraagt 1.638 gulden of 136,50 per maand. In de globale berekening hierna gaan we uit van de maximale jaarlijkse inhouding en 50 procent loonbelasting.

Dit jaar schrijft de werkgever 1.638 gulden van het brutoloon over naar de geblokkeerde spaarrekening. De werknemer/deelnemer betaalt daarover geen 819 gulden (50 procent) belasting. Pas na vier jaar rijpen mag hij over die 1.638 gulden beschikken. Bruto is dan netto, vuil wordt schoon. Hoeveel levert dat schoonwassen op?

Een werknemer die niet deelneemt, houdt van 1.638 gulden bruto maar 819 netto over. Door vier jaar te sparen verdubbelt een deelnemer zijn inleg en haalt een rendement van 100 procent. Dat is gemiddeld 25 procent per jaar, maar in feite 19 procent cumulatief, uitgaande van rente op rente. Daarbij komt zo'n 4 procent rente die de bank vergoedt over de inleg, waarvoor een aparte vrijstelling van 1.000 gulden per persoon per jaar geldt. Samen circa 23 procent, onbelast en vrij van kosten en risico's. Daar kan geen klikfonds tegenop.

De premiespaarregeling (PSR) is iets anders van opzet. Een deelnemer legt nettoloon opzij (betaalt dus eerst belasting) en de onderneming doet daar (belasting- en premievrij) een bedrag/premie (hooguit 100 procent) bij. De maximum werkgeverspremie voor 1997 bedraagt 1.093 gulden. Een werknemer die netto 1.093 gulden spaart, kan dus het dubbele laten blokkeren, indien zijn baas er 100 procent bij doet. De reclamebaas doet er maar 50 procent bij. Om de maximum bijdrage van 1.093 gulden binnen te halen, moet deze werknemer netto 2.186 gulden wegzetten; bruto 4.372 per jaar.

Wat moet hij investeren om ten volle te profiteren van beide plannen en hoeveel levert dit op? Naar de geblokkeerde rekening gaan: SLR 1.638, PSR 2.186 + 1.093 = 4.917 gulden. Zijn netto investering is: SLR 819, PSR 2.186 = 3.005 gulden per jaar of 250 gulden per maand. Winst na vier jaar blokkade: 1.912 gulden (4.917 minus 3.005). Daarbij komt 4 procent (of meer als de spaarrente stijgt) rente per jaar van de bank. Daardoor valt er over 4 jaar 5.752 gulden vrij. Wat een fraai onbelast rendement van circa 17 procent per jaar betekent, tijdens de periode van 4 jaar. Daarna is het feest over en moeten de vrijvallende bedragen anders worden belegd.

De overheid ontheft deelnemers van de blokkeringsperiode wanneer ze de maandelijkse besparingen in een 'duurzame bezitsvorming' stoppen: de aankoop van een eigen huis, een levensverzekering, effecten en een beter pensioen. Plus extra voor de PSR: aflossing op een hypotheek. Dat lijkt een voordelige uitweg, maar als je niets doet en de rit uitzit krijg je toch de eerder geschetste hoge rendementen.

De verzekeringswereld verdient niks aan zittenblijvers en bestookt ze daarom met voorstellen om een verzekering af te sluiten, met name een lijfrenteverzekering, als aanvulling op een pensioentekort. In het boekje Bedrijfssparen (Kluwer Financial Planning Reeks) staat zelfs: “Verzekeringssparen biedt de beste (deblokkerings)mogelijkheden voor de oudedagsvoorziening”. Dat is een aanvechtbare bewering. Op bijvoorbeeld effecten, zoals participaties in een beleggingsfonds, gaan de auteurs (die beiden in de verzekeringen werken) amper in, terwijl dat toch een goed, flexibel en heel vaak een beter alternatief is.

Misschien is er nog een reden waarom verzekeraars zó jagen op klanten. Mogelijk vervalt in het nieuwe belastingstelsel de omkeerregel en zijn de lijfrentepremies en -koopsommen niet meer aftrekbaar. Wat blijft er dan over van zo'n verzekering?