Psychotherapie en Oudheid

Jacques Graste. Zorg voor de psyche. Een archeologie van psychotherapie. Nijmegen University Press, 239 blz. Katholieke Universiteit Nijmegen, 28 mei 1997. Promotores: Prof.dr. C.P.F. van der Staak, Prof.dr. M.L.J. Karskens.

Verrassend, ineens dit jaar drie proefschriften waarin op een heel oorspronkelijke manier naar psychotherapie wordt gekeken. Onderzoek naar psychotherapie ziet er tegenwoordig meestal uit als elk ander onderzoek naar een vorm van medische behandeling. De onderzoeker wil weten of de ingreep veilig is, of het geneesmiddel werkt en of de patiënt niet ook vanzelf al opknapt. Goede vragen in het kader van het streven naar zoveel mogelijk 'evidence based medicine' en nu eens te meer populaire vragen, omdat de minister er zelf zoveel belangstelling voor heeft. Als professor Borst wijdde zij er haar oratie aan, nauwelijks een jaar voor zij de politiek inging.

Ook in de geneeskunde is er meer dan evidence alleen en daarom spreken we altijd nog van geneeskunst: de dokter is geen machine en de patiënt wil niet als zodanig behandeld worden. Dat geldt zeker voor de psychotherapie, waar behandeling en bejegening bovendien nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Een technisch goede chirurg kan een hork in de persoonlijke omgang zijn. Het is niet leuk voor de patiënt, maar zijn wond merkt er niets van. Een psychotherapeut die fouten maakt in het contact met de patiënt, brengt zelf verwondingen toe. Gedragsregels en beroepscodes zijn in de psychotherapie dan ook deel van het therapeutisch proces zelf. Wie ze schendt, bewerkt bij de patiënt - en vaak ook bij zichzelf - onbedoelde en ongewenste effecten. Hoe dramatisch dat kan aflopen is inmiddels in een hele reeks geruchtmakende zaken wel gebleken.

Het was dan ook goed dat iemand uit het vak zelf zich eens dieper ging buigen over de ethische principes van de beroepscodes in de psychotherapie. Een ervaren iemand bovendien. Meer dan 30 jaar heeft Herman Schrijer als psycholoog-psychotherapeut in een groot ziekenhuis gewerkt en hij was al bijna 76 toen hij begin dit jaar promoveerde op 'Psychotherapie en ethiek' (Nijmegen). Een schrijver is Schrijer helaas niet en dat maakt zijn proefschrift vooral tot een werkboek en een naslagwerk. Ik zal het straks ook zelf nog op die manier gebruiken.

Een tweede verrassing was het proefschrift van Jaap Bos, 'Authorized knowledge' (Utrecht), dat in strikte zin wel niet over psychotherapie gaat, maar aan de hand van teksten van de eerste psychoanalytici wil laten zien hoe 'kennis' in een proces van 'autorisatie' tot stand komt. Simpel gezegd: we kunnen relatief gemakkelijk nagaan wat in een gegeven context - bijvoorbeeld de opleiding tot psychotherapeut - als kennis wordt beschouwd, maar daaruit kunnen we nog niet afleiden wat het niet tot die status heeft weten te brengen en waarom dat niet het geval is geweest. Het is naïef te denken, dat dit uitsluitend op grond van inhoudelijke en empirische argumenten gebeurt. Interessant is nu juist dat wij daar graag een beroep op doen om een bepaalde opvatting 'waar te maken'.

Het kan ook dubbel op. In de psychoanalytische literatuur is een artikel zonder verwijzing naar Freud nog altijd ondenkbaar. Freud is canon en kanon tegelijk: hij wordt als toetssteen gebruikt, maar ook in stelling gebracht om het gelijk van de eigen opvatting aan te tonen. De 'eigenlijke', liefst 'oorspronkelijke' betekenis van zijn tekst is mijn mening. Die komt er niet uit voort, maar keert er naar terug. de hele moderne bijbel-exegese is op dit principe gebaseerd: de autorisatie zit in het ontdekken van de 'oorspronkelijke' - lees 'diepere' - besef 'echte' betekenis van een bepaald woord of een beppalde uitspraak. Elke vindplaats verandert zo in een valkuil, iedere zoeker wordt de gevangene van een zelf gezochte diepte.

Dit brengt me bij de derde verrassing, het proefschrift van Jacques Graste, net als Schrijer en Bos psycholoog, net als Schrijer ook psychotherapeut en bovendien nog psychotherapie-opleider. Net als Bos kiest Graste voor een constructivistisch standpunt en net als Schrijer geboeid door de verbinding tussen psychotherapie en ethiek. 'Authorized knowledge' is voor alle drie een uitgangspunt: Schrijer wil het scheppen in de vorm van een nieuwe preambule voor de psychotherapeutische beroepscodes, Bos wil het scheppen zelf als activiteit betrappen en voor Graste is scheppen iets wat de archeoloog doet als hij een grondlaag bloot gaat leggen. Dat is ook wat hij wil: onderzoeken of er in een bepaalde historische periode concrete aanwijzingen te vinden zijn voor het bestaan van een praktijk, die wij nu met het woord psychotherapie zouden aanduiden. De concrete aanwijzingen moeten gezocht worden in overgeleverde en mogelijk voor dit doel relevante teksten. En zoals Heinrich Schliemann niet geïnteresseerd was in minder dan het vinden van Troje en de schat van Priamos, zo zet Graste de spade in het werk van Aristoteles, Plato, Cicero en Seneca, de meest klassieke 'authorized knowledge' die zich maar laat denken.

Helemaal Schliemann is Graste toch ook weer niet, want iemand was hem al voorgegaan en hij volgt ook voor een belangrijk deel diens pad. Michel Foucault heeft zich in zijn laatste werken 'Het gebruik van de lust' en 'De zorg voor zichzelf' (in Nederland uitgegeven door SUN, in de oorspronkelijke Franse versie door mij besproken in NRC Handelsblad van 9 augustus 1984 - o, het lijkt gisteren, maar ik word oud en Foucault was al dood) voor een belangrijk deel met dezelfde auteurs en dezelfde perioden bezig gehouden. Hij was niet op zoek naar een archeologie van de psychotherapie, maar naar een archeologie van de seksualiteit. Foucault vond, wat ook Graste vindt: een opvallend streven naar persoonlijke perfectie. Bij de Grieken staat dat in het teken van de matigheid, bij de Romeinen van evenwichtigheid. In beide gevallen gaat het om een ethiek die zich vooral als esthetiek manifesteert. In het handelen staat niet de ander, maar de eigen persoon centraal.

De moderne psychotherapie is op geen enkele wijze verbonden met of gebaseerd op het denken van de filosofen uit de Grieks-Romeinse tijd en al is het woord psychotherapie ontleend aan griekse begrippen uit de tijd van Plato en Aristoteles, wat men er toen onder verstond was toch iets heel anders. Niettemin vraagt Graste zich af of kenmerken van psychotherapie als een zorgpraktijk voor geestelijke gezondheid toch ook in de klassieke oudheid zijn terug te vinden. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Er werd ook toen hulp gezocht bij levensvragen en dat werd ingegeven door het besef van een tekort (of juist een teveel). Er zijn methodieken die kunnen worden toegepast en deskundige mensen die daar bij kunnen helpen.

Opvallend is zelfs hoezeer over dit alles in medische en zelfs onverholen medicaliserende termen wordt gesproken. Een belangrijk en essentieel verschil is wel dat het zeker bij de Grieken niet gaat om het opheffen en veranderen van wat negatief is en lijden met zich meebrengt, maar om het voortdurend werken aan de verbetering van jezelf, aan een versterking van de zelfbeheersing en een vergroting van de bezonnenheid. Meester zijn over jezelf is het Griekse adagium bij uitstek. Daar is oefening voor nodig en vaak ook een helepende ander, die - zouden wij nu zeggen - professioneel, empathisch en analytisch moet zijn. In de Romeinse tijd is er meer dan bij de Grieken sprake van een verinnerlijking en het uitgangspunt is ook niet langer meer gezondheid, maar ziekte. De geest is ziek - dat geldt dus voor iedereen - en moet gezond worden. Dat vraagt oefening hulp en vooral veel cognitieve inspanning, waarbij de mens zich voortdurend bewust dient te zijn van het gevaar dat in emoties schuilt: emoties moeten beheerst worden, zij mogen nooit overheersen.

Net als de Grieken hebben ook de Romeinen een ideaal van geestelijke gezondheid, dat zij - anders dan wij - ook redelijk goed onder woorden kunnen brengen. Hun zorgpraktijk voor de geestelijke gezondheid is een levensleer, gericht op een 'zorgen voor zichzelf', geen leer die weer voor het leven zelf ruimte moet scheppen, zoals voor psychotherapie nu geldt. De klassieke opvatting van de mens en van het leven was ahistorisch, schuldloos, egocentrisch en esthetisch - geen wonder dat Foucault er door gefascineerd was. Het ging er niet om te ontdekken wat je werkelijke identiteit is, maar te ontwikkelen wat er aan aangename mogelijkheden in het bestaan te vinden zijn.

Toch is er nog een andere kant, de 'helpende ander' zoals Graste hem noemt, de psychotherapeut avant la lettre. De ander is nodig om jezelf te leren kennen en te kunnen verbeteren, hij (destijds uiteraard altijd en alleen een hij) is de spiegel 'die laat zien hoe je er in de ogen van een ander ziet'. Dat kan alleen als je de ander helemaal kunt vertrouwen en de ander ook geen andere bedoeling heeft dan jou te helpen een goede verhouding tot jezelf te ontwikkelen. In de helpende ander is de afstand tot de therapeut van nu niet meer zover en de gedachten van Epictetus en Seneca klinken onverwacht door in de preambule die Schrijer formuleert voor het beroep van psychotherapeut: respect voor de autonomie van de ander, geen misbruik maken van de ander, dienstbaar en deskundig zijn, helpen zin in het leven te realiseren. En toch is er dan weer een verschil, want of het nu bij Foucault of bij Graste is, je krijgt altijd weer het gevoel dat die oude Grieken minder met het probleem van de zingeving zaten dan met het probleem van het te veel zin hebben in het leven.