Psychiater Herman Meïr van Praag over zijn leven van strijd; 'Niet alles behoeft bespreking'

De carrière van professor Herman Meïr van Praag stond in het teken van de biologische psychiatrie - een discipline die soms weerstand opriep. Hij keerde uit New York terug naar Maastricht en gaat bij zijn emeritaat naar Amsterdam, omdat daar een grotere joodse gemeenschap is. Hij werpt zich nu op de psychiatrische analyse van bijbelse figuren. Was Herodes manisch of gewoon achterdochtig?

Iets oppositioneels is me niet vreemd, nee. Frappez, frappez toujours. Anders had ik niet zo veel kunnen bereiken, geloof ik.''

Het is een eigenschap die prof.dr. Herman Meïr van Praag (geb. 1929), psychiater, zowel faam als verguizing heeft opgeleverd. Vorige week nam hij afscheid als hoogleraar. De afgelopen vijf jaar werkte hij in Maastricht, als afsluiting van een academische carrière die vooral in het teken stond van strijd. Lang heeft hij tegen de stroom in moeten roeien om de psychiatrie in zijn ogen werkelijk wetenschappelijk te maken: meetbaar, controleerbaar, met getoetste uitgangspunten. En vooral ook: met een zware natuurwetenschappelijke inbreng op basis van biologisch onderzoek.

“Toen ik begon, in de jaren vijftig, was het vak allesbehalve wetenschappelijk. Het was essayistisch, esthetiserend ook - men had prachtige woorden om het lijden van de patiënt te beschrijven. Dat sprak me aan de ene kant wel aan. Ik heb altijd veel gevoel gehad voor het literaire, ik heb ooit zelfs schrijversambities gekoesterd. Die ongebreidelde verhalen over ziektegeschiedenissen vond ik fascinerend. Een wonderlijke, verleidelijke wereld.

“Niettemin zat ik vaak ook met mijn oren te klapperen. Dit kán niet, dacht ik dan, dit werkt niet. We zitten hier niet bij filosofie, we passen dit toe op mensen. Dan kun je niet zomaar beweren dat een behandeling helpt omdat je dat bij een paar patiënten hebt geconstateerd. Je zult empirisch onderzoek moeten doen, meten.

“Dat gebeurde niet, en ook de intentie daartoe ontbrak. Van psychotherapie is immers jarenlang beweerd dat het om onherhaalbare experimenten ging. Om met Kloos te spreken: de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Kletsika! Daar heb ik altijd tegen gevochten. Ik vond dat je patiënten niet op die manier kon benaderen, zo zonder zicht op de effecten, terwijl je ze toch aan ingrijpende behandelingen onderwerpt.

Evenwicht

“Psychotherapie, in al zijn vormen, kan ingrijpender zijn dan een pilletje hoor, met soms vérgaande bijwerkingen, zeer erschütternd. Groepstherapie bijvoorbeeld kan mensen volledig uit hun evenwicht brengen. Natuurlijk kun je de werking onderzoeken. Cognitieve therapie, gedragstherapie, van alles wordt tegenwoordig getoetst. We zijn toch een heel eind gekomen.

,.Mainstream psychiatry was in de tijd dat ik begon psychoanalytisch, antropologisch, fenomenologisch. Tot aan het begin van mijn specialisatie heb ik nog gezegd: dit is niet mijn vak, hier kom ik niet aan mijn trekken. Het was volstrekt abiologisch, volstrekt amedisch. En naar die kanten ging juist mijn interesse uit. Ik had wel biologie willen studeren, met name diergedrag. Ik had er alleen het geduld niet voor. Ik was wel eens op stap geweest met veldbiologen, maar om nu eindeloos te zitten turen naar een meeuw of een konijn, dat leek me niets.

“Omdat ik geïnteresseerd was in de werking van de hersenen en de relatie met gedrag, koos ik voor neurologie. Je werd dan geacht ook anderhalf jaar colleges in de zusterdiscipline, psychiatrie, te volgen. Toevallig - we schrijven 1958 - werden er vrijwel op datzelfde moment twee groepen antidepressiva geïntroduceerd.

“Dat was een revolutie! Ik was werkelijk flabbergasted toen ik zag wat die middelen vermochten: een diep melancholische man, wiens toestand binnen een maand spectaculair verbeterde. Dat riep de vraag op: wat doen die dingen in de hersenen? En de tweede vraag, die me tot op de dag van vandaag bezighoudt: wat is er bij depressieve mensen in de hersenen gestoord, waardoor ze op die chemische middelen reageren? Dat zijn de kernvragen van de biologische psychiatrie.”

Schuldgevoel

Vragen ook die meteen raken aan het aloude filosofische probleem van de verhouding tussen lichaam en ziel. Een gevoelig thema, met name in religieuze kring, merkte Van Praag. “Dat je het lijden van de ziel met een pil kunt oplossen - dat is een teer punt. Vooral in calvinistische milieus koestert men het idee dat bijvoorbeeld het schuldgevoel, dat zo sterk kan zijn bij depressies, inherent is aan het menselijk zijn. Tijdens mijn assistententijd in Rotterdam werd ik er met mijn neus opgedrukt. Patiënten van de Zuidhollandse eilanden werden vaak vergezeld door hun predikant. Die eilanden waren toen nog afgesloten, er waren geen bruggen. In die gemeenschappen kwam veel zware melancholie voor.

“Die predikanten gingen erg ver in hun begrip daarvoor. Dat men schuldig was, zondig, dat was voor hen een vast element van het menselijk bestaan. Wij psychiaters spraken dan al over schuldwaan, vonden dat er behandeling nodig was. Het leerde me meteen dat je niet te snel iemand ziek moet verklaren. Wat ziekelijk is, wordt sterk bepaald door de groep waartoe iemand behoort, door de cultuur en de religie. Voor mij ligt de grens daar, waar iemand lijdt.

“De weerstand tegen de biologische psychiatrie is zonder twijfel voor een deel theologisch bepaald. Het verwijt is vaak: jullie willen alles terugbrengen tot de hersenen, terwijl er zoveel meer is. Als er meer is, prachtig, maar dat is theologie, geen geneeskunde. Ik onderzoek dat deel van het psychische leven, noem het maar de ziel, dat afhankelijk is van het lichamelijk bestaan. Of dat de hele ziel is, ja, ik kan het eerlijk gezegd niet anders zien. Dat individuen voortbestaan na de dood, geloof ik alleen in overdrachtelijke zin. In de herinnering van anderen, of in geschriften.

“Aan de andere kant vind ik het ook een onzinnig idee dat gevoelens en gedachten te herleiden zouden zijn tot chemische processen. Ik zie niet hoe men ooit een begrijpelijke brug zal kunnen bouwen tussen materiële processen in de hersenen, en dat wat we gedrag en beleven noemen. Dat zou ook een verarming zijn. Wat ik wel beweer is dat het psychische leven - en dan bedoel ik het waarneembare gedrag en datgene wat zich innerlijk afspeelt aan cognities en emoties - mogelijk wordt door de manier waarop de hersenen functioneren. Het brein is het begin- en eindpunt: de hersenen zijn nodig om te kunnen denken, maar ook om te kunnen voelen. En omgekeerd: gaat er iets vergaand mis in dat voelen of denken, dan is er ook wat mis in de hersenen zelf. Bij iemand die aan wanen lijdt, is een bepaald hersencircuit verstoord. Maar daarmee is die waan nog niet verklaard.”

Antipsychiatrie

In 1966 werd Van Praag uitgenodigd om een afdeling biologische psychiatrie op te zetten aan de universiteit van Groningen. Het was de eerste afdeling van zijn soort in Europa, en van verzet tegen deze benadering was toen nog nauwelijks sprake. De hoogtijdagen van de 'antipsychiatrie' lagen later, in de jaren zeventig. Die richting wilde niet het brein, maar de kapitalistische maatschappij ziek verklaren.

“Gedonder heb ik in Groningen niet gehad, nee, dat kwam pas in Utrecht. Vanwege onze biologische onderzoekslijn en het feit dat we er aan ECT deden. Elektroshock. Ik werd daar in 1977 hoogleraar, en ik vond het een absolute onethische schande dat het daar niet gebeurde. Dat men mensen een behandeling onthield die nuttig kon zijn. Vooral bij een vitale depressie, die niet op antidepressiva reageert, is elektroshock effectief. Het kan verhinderen dat de depressie chronisch wordt en het kan die mensen dus uit de inrichting houden.

“Maar voor de tegenstanders was die shocktherapie het symbool van een foute, puur biologische aanpak. Je greep in in hersenen, terwijl je de gekmakende maatschappij moest aanpakken. Het leidde tot opstootjes, van studenten en voor een deel ook beroepsoproerkraaiers. Ik heb altijd gezegd: kom binnen, helden! Bespreek je argumenten! Dat deden ze niet.

“We organiseerden in die tijd een internationaal symposium over de biologie van depressie. Honderden mensen voor de deur, die met stokken op de ramen sloegen, gillend, oerwoudgeluiden. Ik ben ook bedreigd, mijn kinderen moesten een paar maal onder politiebegeleiding naar school. In de hele stad hingen muurkranten waarin breed werd uitgemeten hoe verkeerd het wel niet was wat ik deed. Ook met antisemitische teksten. Dat de joden nu zelf praktiseerden wat ze veertig jaar eerder in de concentratiekampen was aangedaan, dat soort dingen. Ik las ze nauwelijks, liep er aan voorbij.

“Men beschuldigde mij toen ook van plagiaat in mijn inaugurale rede, maar daar wil ik het niet meer over hebben. Het ging over de antipsychiatrie. Ik had mijn bron verdorie wel twaalf keer aangehaald, op zijn minst. En als het waar was geweest, was ik toch nooit benoemd in New York, nooit in Maastricht? Men heeft genoeg gedaan om het rond te bazuinen, in anonieme brieven. Het is nu al een paar keer onderzocht. Nee, ik praat er niet meer over.”

“Ik vecht graag, heb het gevoel dat ik op mijn best ben als ik wat te beweren heb. Ik had ook rabbijn kunnen worden, of dominee als ik christelijk was geweest. Ik houd er van om te getuigen, te preken, en ja, ik zoek ook wel dingen om voor of tegen te strijden. Die assertiviteit, die strijdbaarheid, dateert van de kampen. Daarvóór was ik in mijn herinnering een timide jongetje, dat zich gemakkelijk liet imponeren door de machojongens die zo geweldig populair waren. Daar voelde ik me altijd wat kleintjes bij.

“In de lente van '42, ik was toen dertien, zijn we weggehaald uit Schiedam. Eerst naar Amsterdam, toen naar Barneveld, in '43 naar Westerbork, en begin '44 naar Theresienstadt, waar we een jaar later op 4 of 5 mei door de Russen zijn bevrijd. Het hele gezin. Het had geen maand langer moeten duren.

“Uiteindelijk ben ik sterker uit die kampen gekomen, geloof ik. Er was natuurlijk chronische angst, met die transporten elke week, en veel mensen stierven van ziekte en ondervoeding. Maar je kunt niet de hele dag angstig zijn, dat zou je niet overleven. Een puberteit heb ik niet gehad, maar ik ben wel heel snel gegroeid, heb geleerd om mezelf te handhaven.

Zionisme

Het was een bijzonder gezin, met twee kinderen - ik was de jongste. Mijn vader was een uiterst erudiete man, jurist en civiel ingenieur, directeur van Bouw- en woningtoezicht, en met een grote belangstelling voor de Franse cultuur. Humanistisch, tolerant en zeer bescheiden was hij. Hij bemoeide zich wel met de kinderen, maar op een harmonieuze, niet-indringende manier. Ik denk wel eens: dat had ik wat meer kunnen overnemen, die houding.

“Het was een niet-religieus, maar wel sterk zionistisch milieu. Mijn grootouders van beide kanten behoorden tot de eerste zionisten ter wereld, zelf was ik lid van de socialistisch-zionistische jeugdbeweging Haboniem. Daar werd je trots op het joods-zijn bijgebracht, naast een grote liefde voor Israel natuurlijk. Eigenlijk is daar, nu ik er zo over nadenk, de basis voor mijn latere weerbaarheid al gelegd.

“Mijn vader was niet alleen ambtenaar, hij was ook privaatdocent rechten in Leiden. Waarom geen hoogleraar? Hij had het moeten zijn, vind ik, op basis van zijn publicaties en van wat hij was. Ik kan het niet bewijzen, maar er was een onuitgesproken idee dat er niet te veel joden in Leiden aangesteld moesten worden. Een onuitgesproken numerus fixus. In het Nederland van voor de oorlog heerste er zonder twijfel antisemitisme. Mijn zuster kon bijvoorbeeld nauwelijks lid worden van de tennisclub, je kon geen lid worden van de roeivereniging in Rotterdam, enzovoorts.

“Er is wel reden tot boosheid. Kijk naar wat er in de oorlog is gebeurd, hoe de wereld heeft gereageerd op de jodenvervolging. Laten we eerlijk zijn, het kon de mensen geen zak schelen. Ook Churchill niet, Roosevelt niet, ze hebben er geen bliksem aan gedaan, de joden waren quantité négligeable. Misschien is mijn boosheid een voedingsbodem geweest om de wereld na de oorlog eens wat te laten zien. Dat zou kunnen.

“De wil tot overleven die in de kampen heerste, is onderschat. Het is ook niet waar dat degenen die terugkeerden, er allemaal een onherstelbaar beschadigde persoonlijkheid aan overhielden. Natuurlijk, er zijn er bij die de draad niet meer hebben kunnen oppakken, maar velen - van de weinigen die terugkwamen - zijn door hun strijdbaarheid volwaardige individuen geworden. Daarom sta ik ook kritisch tegenover de ophef over de tweede en derde generatie. Dat de overlevenden niet meer in staat zouden zijn geweest om hun kinderen een volwaardige opvoeding te geven, bestrijd ik.

“Dat in die gezinnen iets heel belangrijks onzegbaar is geworden, dat het verleden op slot is gegaan - ach, dat is allemaal van dat getheoretiseer. Het is ook zo'n analytische gemeenplaats. Waarom zou je het verleden niet op slot mogen doen? Ik praat ook niet vaak over de oorlog. Waarom zou ik mijn kinderen, of mijn vrouw, daarmee belasten? Een mens kan iets ook verwerken, opnemen in zijn bestaan zonder het regelmatig te bespreken. Goed, laat dat verdringing zijn, maar dan in de bewuste sfeer, niet naar het onbewuste. Dat zijn mechanismen waar de mens mee werkt en die hem niet slechter maken. En die voor de omgeving ook heilzaam zijn. Die willen niet steeds de sores horen. Maar dat alles is een teer onderwerp, ik heb het er niet graag over. Waarom zou ik wonden openhalen bij mensen die wel nog erg lijden.”

Stommiteit

“Sinds 1948, toen de staat Israel werd gevormd, moet je je geen zionist meer noemen als je hier blijft, vind ik. Dan ben je een supporter. Een zionist gáát. Ik ben dus niet gegaan. In '45, terug uit de kampen, wilde ik eerst mijn middelbare schoolexamen doen. Toen kwam de studie. Eerst arts worden. Na mijn diensttijd kreeg ik een assistentschap neurologie en psychiatrie aangeboden, dat gebeurde niet zo vaak. En zo ging het door. Ach, natuurlijk waren het rationalisaties. Maar mijn kans kwam alsnog, in 1976. Ik kreeg het aanbod om hoogleraar te worden, hoofd van de afdeling psychiatrie van Hadassah, het academische ziekenhuis van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Ik vond het geweldig, het was een late verwezenlijking van wat toch een ideaal van me was. Maar omdat mijn zoon voor zijn eindexamen zat, ging ik alleen, zonder mijn gezin.

“Dat was een stommiteit, want die steun kon ik niet missen. Ik heb er heel prettig gewerkt, maar met de taal kon ik niet uit de voeten. Hoe kon ik daar in godsnaam als psychiater functioneren? Ik kon geen nota lezen, geen telefoontje aannemen. En het is een verschrikkelijk moeilijke taal om te leren. Als mijn gezin er was geweest had ik het kunnen bepraten. Nu zat ik alleen op een kamertje. En ik dacht: het kost me een paar jaar om het te leren en al die tijd gaat ten koste van mijn onderzoekswerk. Ik was vijftig, had een zekere naam opgebouwd, en je moet produceren in de internationale wereld.

“Bovendien is het een moeilijk land. Je hebt allerlei politieke connecties nodig om onderzoek van de grond te krijgen, om geld te verwerven. Het had op een mislukking uit kunnen draaien. En dat had ik toch wel als een grote teleurstelling ervaren. Dan ga je godverdorie eindelijk iets bijdragen en dan komt er geen bliksem uit. Vooral daar, in Jeruzalem, wilde ik niet mislukken. Later ging ik naar Utrecht, New York - ook moeilijke opdrachten, maar daar speelde dat toch minder. Dus ik ben teruggekeerd, na een jaar. Het voelde als een nederlaag, ik ben er niet trots op.

“Misschien was het zionistische ideaal inderdaad niet zo sterk bij mij. Minder sterk dan ik zelf had gewild. Het heeft iets tragisch dat, toen Israel tot stand was gekomen, grote groepen joden er niet naartoe zijn gegaan. Ik dus ook niet.”

In 1982 vertrok Van Praag naar het Albert Einstein College of Medicine in New York. Hij bleef er tien jaar en leidde er de fusie met de afdeling psychiatrie van een ander ziekenhuis, organiseerde een vérgaande samenwerking met psychiatrische zorginstellingen en stimuleerde er het onderzoek. Een hoogtepunt in zijn loopbaan, zei hij vorige week tijdens zijn afscheidscollege, en niet alleen in academisch opzicht.

“Ik was opgetogen toen ik werd gevraagd om naar New York te komen. Einstein is verbonden met de Yeshiva University, de enige joodse universiteit buiten Israel. Het was little Jerusalem voor mij, zo kon ik toch nog een bijdrage leveren. We zijn daar heel actief geweest in die gemeenschap, vooral mijn vrouw, die werd voorzitster van de Sisterhood, de vrouwen van de synagoge. Dat was een fulltime baan, een soort maatschappelijk werk.”

“We gaan nu terug naar de omgeving van Amsterdam. De joodse gemeenschap daar is groter, dat missen we hier in Limburg. En ik pak mijn joodse studies, mijn bijbelse studies weer op. Daar was ik in New York al mee begonnen: psychiatrische analyses van bijbelse figuren zoals Job en Saul. Ik ben nu met Herodes bezig: was hij paranoïde in psychiatrische zin of gewoon met reden achterdochtig? Was hij psychotisch, manisch? Dat soort vragen. Ik vind al die figuren boeiend. Mensen zijn interessant als ze dingen ondernemen die buiten het doorsnee patroon vallen.

“Nee, mijn eigen leven is ook niet erg doorsnee geweest, geloof ik. Bij mijn inauguratie in Maastricht heb ik mezelf omschreven als een soort hybride van de wandelende jood en de vliegende Hollander. Ik heb iets van een avonturier. Heb ik al verteld dat ik ooit bijna met het circus was meegegaan? Na mijn kandidaats heb ik er drie maanden gewerkt, bij de paarden. Ik hou van die sfeer, die lucht. Ik maakte ze schoon en reed ze af. Toen werd ik gevraagd of ik mee wilde gaan, naar Spanje geloof ik. Mijn ouders waren oprecht bang dat ik het zou doen.”

Zijn vrouw Nelleke mengt zich in het gesprek: “Je had ook bijna aangemonsterd op een walvisvaarder.” Van Praag: “God ja, dat is waar. Net toen ik mijn vrouw had leren kennen, in 1954, kon ik mee op de Willem Barentsz. Als assistent-scheepsarts, voor een jaar.” (Tot zijn vrouw): “Maar jij had toen liever niet dat ik meeging, hè Moek? Dus dat heb ik toen niet gedaan, als blijk van mijn grote affectie. Het was mijn eerste geste jegens haar.

“De gedachte aan ouder worden kwelt me niet, maar ik hoop wel dat wij nog lang bij elkaar zullen blijven. Het leven zou erg moeilijk worden als dat niet meer zo zou zijn. Ik dan maar als eerste dood? Tja, dat kan niet.”