Prikkels om ouderen aan het werk te houden

In de jaren vijftig werkte de gemiddelde Nederlander van zijn 16de tot zijn 64ste, nu van zijn 20ste tot zijn 58ste. De PvdA wil ouderen met financiële prikkels aan het werk houden, bijvoorbeeld met premiekortingen voor de werkgever.

DEN HAAG, 14 JUNI. Het Tweede-Kamerlid Jan van Zijl (PvdA) zit tussen een stapel rapporten op zijn werkkamer. SER, WRR, CPB, SCP. Het aantal onderzoeken dat gewijd is aan de positie van de oudere werknemer op de arbeidsmarkt is bijna net zo groot als het aantal ouderen dat nog actief is. “Alle rapporten komen tot dezelfde zorgelijke conclusie: de arbeidsdeelname van ouderen in Nederland is te laag”, zegt Van Zijl. “Het onderwerp heeft tot stapels papier geleid, maar nog niet tot effectief beleid.”

De gemiddelde leeftijd waarop een Nederlander stopt met werken is 58 jaar. De VUT is eind jaren zeventig in het leven geroepen om oudere werknemers plaats te laten maken voor jongeren op een overvolle arbeidsmarkt met een gierende jeugdwerkloosheid. Het werd van een noodmaatregel waarvan met enige gêne gebruik werd gemaakt, tot een vanzelfsprekend geacht recht.

Direct na de invoering van de AOW, midden jaren vijftig, lag de gemiddelde leeftijd waarop iemand stopte met werken op 64 jaar. Dat waren bovendien vaak mannen die op hun 16e waren begonnen, terwijl de 'startleeftijd' op dit moment gemiddeld 20 jaar is. In een periode van veertig jaar is de Nederlander gemiddeld tien jaar minder gaan werken.

“Geen generatie heeft zo kort gewerkt als de huidige”, weet Van Zijl. Met andere woorden: het aantal mensen dat de collectieve uitgaven moet financieren, de beroepsbevolking, neemt relatief af. En in geen enkel land was de afname van de arbeidsdeelname van ouderen zo groot als in Nederland.

Dat moet veranderen. “Zowel de vergrijzing van de bevolking als de voorspelde krapte op de arbeidsmarkt zal tot gevolg hebben - of we het leuk vinden of niet - dat ouderen langer aan de slag moeten blijven. De geringe arbeidsparticipatie van 'jongere ouderen' is een van de grote problemen van het begin van de 21ste eeuw”, zegt Van Zijl.

“Kabinet, werkgevers en werknemers spreken al vele jaren over een beleid om meer ouderen aan de slag te houden, maar het komt niet van de grond”, constateert Van Zijl. “Iedereen zegt wel dat de VUT niet meer bestaat en dat de routes om via de WW en de WAO uit te treden zijn afgesloten, maar ik zie daar nog niets van.”

De plannen waarmee kabinet en sociale partners komen om oudere werknemers langer aan het werk te houden, vergen vrijwel altijd een gedragsverandering van de werknemer. Zo is het begrip demotie van ouderen gemeengoed geworden - het doen van een stapje terug; het tegenovergestelde van promotie. “Kansloos”, meent Van Zijl, “wie gaat er nou bij een groeiende vraag naar arbeid een stap terug doen? Niemand toch.”

Waar anderen hun pijlen richten op de werknemer, doet Van Zijl dat op de werkgever. De secretaris van de PvdA-fractie, die binnen zijn partij de discussie over de vergrijzing en de betaalbaarheid van pensioenen entameerde, wil met financiële maatregelen bedrijven aansporen om oudere werknemers in dienst te houden.

Volgens de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid zal de arbeidsdeelname van ouderen automatisch stijgen. De vraag naar arbeid wordt groter, terwijl het aanbod onder invloed van 'ontgroening' sterk zal dalen. Ondernemers zullen eenvoudig niet meer ouderen heen kunnen. De spanning op de arbeidsmarkt zal leiden tot stijgende lonen.

Van Zijl: “Ik deel die vrees voor een geweldige stijging van de lonen. Arbeid wordt een schaars goed. Een ongewenste ontwikkeling, want een gematigde loonontwikkeling is de beste garantie voor het creëren van banen. Ik vind dat we met een gericht ouderenbeleid, plus financiële prikkels, moeten anticiperen op die situatie.”

Aan wat voor soort financiële stimuli denkt u?

“Bedrijven of bedrijfstakken die meer dan gemiddeld oudere werknemers in dienst houden, krijgen zo snel mogelijk een korting op de af te dragen belastingen en sociale premies. Dit kabinet heeft de lasten van laaggeschoolde arbeid verlaagd, en je ziet dat de vraag daardoor is gestegen. Ik vind dat het geld dat we de komende jaren besteden aan lastenverlichting ook specifiek moet worden ingezet om ouderen aan het werk te houden.

“Deze vorm van lastenverlichting komt terecht bij de werkgevers. Daarnaast wil ik dat deeltijd-VUT en deeltijd-pensioen fiscaal worden gestimuleerd. Het moet voor de oudere werknemer financieel gunstig worden om via deeltijd langer te blijven werken.”

Een politiek gevoelig thema, want uw boodschap is: mensen moeten langer werken.

“Als je de rapporten bestudeert, kun je niet tot een andere conclusie komen. We pleiten voor een mentaliteitsomslag. Oudere werknemers worden daarbij steeds interessanter omdat ze zoveel ervaring hebben. Bovendien zijn de ouderen van de toekomst veel beter opgeleid dan de ouderen van nu.”

Mensen ouder dan 57,5 jaar die een WW-uitkering ontvangen, hoeven niet te solliciteren.

“Als we onszelf serieus nemen, moeten we ook daarover durven te praten. Dat is nodig voor die cultuuromslag. Ik vind het maatschappelijk onaanvaardbaar dat oudere mensen worden afgeschreven voor het arbeidsproces.”