Pitten, koeien en koffiebonen in kunst op Biennale

VENETIË, 14 JUNI. Zand, stro, lood, aarde - voor de Duitse schilder Anselm Kiefer is er geen materiaal dat hij niet in zijn schilderijen kan verwerken.

Als het maar met de aarde verbonden is, met Duitse mythologie en als hij er zijn toeschouwers maar hard mee uit het veld kan meppen - materieschilder Kiefer blijft een kunstenaar van het brede gebaar. De afgelopen jaren zijn er weinig tentoonstellingen van zijn werk geweest, al was het maar omdat niet ieder museum doeken van zo'n vijftig vierkante meter kan bergen, en alleen daarom is de solo die vandaag opent in het Venetiaanse Museo Correr al een kleine gebeurtenis. De expositie omvat zo'n dertig werken uit de periode 1971-1997 en als er iets duidelijk wordt is het dat Kiefers doeken de afgelopen drie jaar alleen maar groter zijn geworden.

Op de tentoonstelling hangen drie schilderijen waarop Kiefers nieuwste materiaal een prominente rol speelt: zwarte zonnebloempitten. Op Für Ossip Mandelstamm zijn heeft Kiefer ze in de vorm van een verdroogde, hangende zonnebloem gestrooid, op het landschap Die sechste Posaune lijken ze nog het meest op een zwerm vliegen die zich collectief tegen het doek te pletter heeeft gevlogen. Het ziet er virtuoos en indrukwekkend uit, deze schilderijen, maar het ongemakkelijke gevoel blijft - te veel bloed, verf en aarde.

Ook de jonge Nederlandse schilder Avery Preesman (1968) lijmt graag wat materie op zijn schilderijen - dan plakt hij twee halve kokosnoten op een doek, of strooit er een pak koffiebonen over uit.

Met Kiefer heeft dit weinig te maken, daarvoor zijn Preesmans doeken te speel en te abstract. Bovendien, alsof hij wist dat zijn werk op nog geen honderd meter van de Duitser zou komen te hangen, heeft Preesman de materie op zijn Venetiaanse tentoonstelling thuisgelaten, op een beeld na is het louter verf wat de klok slaat.

Met fotografe Rineke Dijkstra en zijn leermeester Jan Dibbets is Preesman de enige Nederlander die op een van de vele sub-Biennale tentoonstellingen te vinden is. In zijn geval heet de tentoonstelling Europarte, waarbij zich in de Fondazione Bevilacqua La Masa vijf jonge kunstenaars presenteren uit vijf Europese landen. Preesman is de meest traditionele deelnemer, met schilderijen die duidelijk over schilderkunst gaan: grote gele vlaken, waar vaak een ruitpatroon is ingekrast, terwijl de verf soms in rechte banen naar beneden vloeit, alsof ze met een bezem is uitgesmeerd.

Dit serieuze, intense werk contrasteert sterk met dat van de Oleg Kulik. De Rus, die tijdens Manifesta in Rotterdam nogal wat opzien baarde door een aantal weken als hond te gaan leven, toont nu de installatie Deep into Russia, waarbij bij binnenkomst drie levensechte koeiekonten de toeschouwer aanstaren. De konten blijken een soort kijkdozen: als toeschouwer word je geacht je hoofd naar binnen te steken. Dan kun je, op een filmpje, Kulik in de volgende fase van zijn artistieke carrière aanschouwen: copulerend met een forse zwarte bouvier en de bouvier mag bovenop. Of Kulik hiermee de door hem gewenst rel veroorzaakt lijkt twijfelachtig, want tijdens de Biennale kijken de Italianen nergens meer van op. Wat werkelijk bekijks trok was een bordkartonnen paus, waarmee hordes toeristen gisteren op het San Marco-plein gretig op de foto gingen.