'Omvang geweld op straat overschat'

GRONINGEN, 14 JUNI. Niet de vraag waarom geweld toeneemt, maar de vraag waarom geweld in Nederland weinig voorkomt zou bij veiligheidsvraagstukken centraal moeten staan.

Volgens hoogleraar criminologie W.J.M. de Haan worden de ernst en omvang van geweld op straat vaak overschat en is er te weinig oog voor de sociale, economische en culturele verworvenheden die voor het relatief lage geweldsniveau in Nederland zorgen. “Als we niet oppassen, slachten we de kip met het gouden ei.”

Het geweldsniveau in Nederland behoort tot de laagste van de wereld. “Je kunt 's avonds toch nog zonder grote risico's door het Vondelpark fietsen,” zegt De Haan. Hij is “bezorgd optimistisch” over de ontwikkeling van geweld in Nederland. “'t Kon minder”, zei De Haan deze week in het Gronings bij zijn inaugurele rede op de Rijksuniversiteit Groningen.

Nederland onderscheidt zich volgens hem vanaf de zeventiende eeuw door een laag geweldsniveau. Het aantal geregistreerde overvallen en berovingen neemt sinds de jaren zeventig wel toe, maar daarin zit volgens De Haan een fors 'registratie-effect' verdisconteerd. “Een beroving van een tasje was in de jaren zeventig nog een eenvoudige diefstal, nu geldt dat als diefstal met geweld.”

Wat moord en doodslag betreft is vanaf de jaren zeventig wel een negatieve kentering waar te nemen. Een toename doet zich vooral voor in “de criminele sfeer”, aldus De Haan. “Dat criminelen zakelijke conflicten uitvechten wil nog niet zeggen dat de samenleving als geheel onveiliger wordt. Hoewel de toename van geweld in criminele milieus natuurlijk wel zorgelijk is.” Uit slachtofferenquêtes blijkt dat het aantal lichte geweldsmisdrijven zoals mishandeling en bedreiging de laatste jaren afneemt.

De Haan tekent bij zijn bewering dat het geweld in Nederland relatief meevalt aan, dat dat voor de gevoelens van burgers anders kan liggen. “De kans dat je slachtoffer wordt van een misdrijf is vijftig procent. Het overkomt je of het overkomt je niet.” Bovendien is het in de criminologie een bekende paradox dat naarmate geweld minder voorkomt, de angst ervoor groter wordt.

De relatief lage geweldscijfers zijn volgens De Haan te danken aan het goede stelsel van sociale uitkeringen, het hoge niveau van opleidingen en een “uniek” volkshuisvestingsbeleid, dat via een grote huursector volgens hem voor een evenwichtige samenstelling van buurten zorgt. Door een geslaagde stadsvernieuwing is er niet, zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, sprake van 'urban war zones' waar geweldpleging tot het dagelijkse leven behoort. “De georganiseerde criminaliteit is hier nergens zo diepgeworteld dat de leefbaarheid van hele buurten onherstelbaar is aangetast.” De samenstelling van woonbuurten wordt in het algemeen nog bepaald door leefstijl en leeftijd en niet louter door etnische afkomst en inkomen.

Maar De Haan is bevreesd dat de voor de geweldscriminaliteit gunstige verworvenheden van de Nederlandse samenleving te ondoordacht aan de kant worden geschoven. “We hebben ook veel te laat in de gaten gehad dat de conducteur niet van de tram had gemoeten.” Marktwerking in de volkshuisvesting en bezuinigingen op sociale voorzieningen en hulpverlening kunnen tot een toename van geweld leiden, aldus De Haan. In de volkshuisvesting kan marktwerking een concentratie van armoede in de hand gaan werken. “Mensen willen kwaliteit, rijk wil bij rijk wonen. Daardoor dreigen reservaten van rijken en getto's van armen te ontstaan.” In navolging van milieu-effect-rapportages zouden er volgens De Haan 'geweld-effect-rapportages' moeten komen die bij belangrijke beleidsbeslissingen van tevoren de effecten op de veiligheid evalueren.

In achterstandswijken is al wel sprake van een concentratie en toename van geweld, al is dit volgens De Haan nog onvergelijkbaar met de situatie in de Verenigde Staten. De aanpak van deze geweldsstijging zou volgens hem gepaard moeten gaan met studies naar stedelijke veranderingsprocessen, zodat de criminaliteitsvraagstukken in een bredere sociaal-economische en sociaal-culturele politiek zijn te plaatsen. Het huidige Grote-Stedenbeleid biedt daar in theorie veel aanknopingspunten voor, maar naar criminaliteit en veiligheid in buurten en wijken is tot nu toe nog weinig onderzoek verricht, zo wijst De Haan naar een bevinding in een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau van vorig jaar.

De Haan zegt te beseffen dat zijn pleidooi voor een structurelere aanpak van geweld politiek moeilijk te verkopen is, omdat daarmee lijkt alsof er niets gebeurt. “In het publieke debat over misdaad en straf is de verleiding voortdurend aanwezig toe te geven aan misplaatste concreetheid van harde toezeggingen voor snel en tastbaar resultaat”, zegt De Haan.