Microkrediet

Het artikel van Karel Berkhout 'Een startkapitaal van 27 dollar' in het Zaterdags Bijvoegsel van 10 mei bezingt de positieve rol van micro-krediet in de strijd tegen de armoede. Betrokkenen worden zonder enige vorm van kritiek geciteerd, het resultaat van de 'micro credit top' in Washington, 25 miljard dollar, zonder meer toegejuicht. Dit beeld behoeft bijstelling.

Micro-krediet is geen nieuw medicijn. Sinds de jaren zestig zijn er vele kredietprojecten en ontwikkelingsbanken in ontwikkelingslanden gestart door donoren en nationale overheden. De ervaringen zijn over het algemeen negatief: op een aantal jaren van bloei volgen zichtbare en toenemende wanbetaling, steeds grotere verliezen en ten slotte beëindiging van de activiteiten. Deze situatie is reeds begin jaren zeventig door het 'Agency for International Development' van de Verenigde Staten (USAID) aan de orde gesteld. Daarna is een uitgebreide, internationale discussie op gang gekomen.

Door nu te stellen dat micro-krediet iets nieuws is, of te refereren aan de Raiffeisenbank van 150 jaar geleden, wordt deze recente, uitgebreide, internationale discussie overgeslagen. Wie niet van fouten leert, maakt ze opnieuw en kredietverlening zal in dat geval dan opnieuw geen medicijn maar een bittere pil blijken te zijn.

De eenzijdige nadruk op kredietverlening komt voort uit een overschatting van de rol van kapitaal in ontwikkeling.

De kapitaalsinjectie van het Marshall-plan dat vijftig jaar geleden West-Europa in zijn opbouw ondersteunde, vond plaats in een geheel andere context: West-Europa bezat toen een institutionele structuur, een geschoolde, gemotiveerde bevolking met een duidelijk beeld van de weg naar herstel, maar een vernielde infrastructuur. De Marshall-hulp maakte dat arbeiders, instituties en overheden hun taken konden hervatten.

In ontwikkelingslanden is de situatie nu fundamenteel anders: ontwikkeling betekent nieuwe activiteiten ondernemen en nieuwe institutionele vormen vinden of oude vormen aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Het is een misverstand te denken dat kapitaal in dit proces de belangrijkste ontbrekende factor zou zijn.

Gebrek aan kapitaal is bijvoorbeeld niet de grondoorzaak voor de problemen in lage-inkomenslanden als Albanië en Suriname: er is daar wel degelijk spaargeld, maar het ontbreken van betrouwbare financiële instituties die de belangen van spaarders combineren met gezonde kredietverlening is het probleem.

In plaats van op micro-krediet en de verstrekking van enorme bedragen aan donorgeld zouden beter het financiële beleid en het streven naar gezonde financiële instituties in ontwikkelingslanden in het centrum van de belangstelling kunnen staan.