J.J. Voskuil maakt archetype belachelijk

Volgens Hans Werdmöller misbruikt de schrijver J.J.Voskuil zijn talent om zijn voormalige collega's te belasteren. Voormalig collega Bart Lankester staat vooralsnog achter Voskuil. Waar geleefd wordt, rollen koppen.

Onder de kop 'Voskuil misbruikt zijn schrijftalent' plaatst Hans Werdmölder in NRC Handelsblad van dinsdag 10 juni een aantal kanttekeningen bij de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. Een nobel initiatief, zo lijkt het. Eindelijk een serieus protest uit wetenschappelijke kring tegen een bijna alom bewierookt literair werk. Afkomstig van een gepromoveerde (!) wetenschapper die met wapperend vaandel en slaande trom “de bom” onschadelijk wil maken die Voskuil “onder zijn instituut en vakgebied heeft gelegd”.

Zoals een goed wetenschapper betaamt stelt Werdmölder zichzelf en de krantenlezer de nodige vragen. Maar vervolgens verzuimt hij, tegen de wetenschappelijke mores in, diezelfde vragen te beantwoorden. Dan waagt de krantenlezer maar een poging.

“Hoe kan iemand verwachten dat Voskuils wetenschappelijke artikelen, recensies en bijdragen in zijn discipline nog serieus worden genomen, als blijkt dat ze geschreven zijn door een persoon die zegt zijn eigen vak, zichzelf en zijn medewerkers niet serieus te nemen?”, vraagt Werdmölder zich af. Zo moeilijk is een antwoord niet. Als een artikel of recensie voldoet aan de wetenschappelijke eisen, is er geen grond om de schrijver ervan te diskwalificeren. Ook niet als die schrijver te kennen geeft zichzelf en zijn vak(genoten) niet serieus te nemen. Wie een dergelijke opbiechting laat meespelen in zijn wetenschappelijke beoordeling, loopt het gevaar beticht te worden van wraak of ranune, motieven die Werdmölder nu juist aan Voskuil toeschrijft. Op de publicaties van de hoofdpersoon Maarten Koning uit de cyclus blijkt weinig aan te merken. Sterker nog, ondanks zijn kritische houding en stroeve omgang met collega's incasseert hij van hen het ene compliment na het andere.

“Is het geoorloofd je medewerkers, het instituut en de collega's zo voor schut te zetten?”, vervolgt Werdmölder zijn spervuur van onbeantwoorde vragen. Het moet gezegd, de Maarten Koning van Voskuil heeft het niet gemakkelijk en dat geldt zodoende ook voor de mensen in zijn omgeving. Onzekerheid, onvermogen en ontevredenheid vechten om voorrang. De twijfel die hem geregeld bekruipt, brengt hem in conflict met zichzelf, maar ook met zijn werk en collega's. Een wetenschapper is ook maar een mens. Dat dit in de roman hier en daar tot karikaturen leidt, zal niemand ontkennen. Maar waar geleefd wordt, rollen soms koppen. Zoals de televisiemakers van Jiskefet in Crediteuren, debiteuren het bancaire kantoorwereldje genadeloos portretteerden, zo gunt Voskuil zijn lezers een ontluisterend kijkje in de wetenschappelijke werkomgeving. Wie zijn ogen op een willekeurig instituut, faculteit of bibliotheek meer dan gemiddeld de kost heeft gegeven, weet dat ook daar het beleg van de boterham of de vormen van juffrouw Jannie niet zelden tot de belangrijke gespreksonderwerpen behoren.

“Kan een persoon, die meer dan dertig jaar aan het hoofd heeft gestaan van een afdeling, zijn eigen levenswerk, zijn directe medewerkers, zijn echtgenote en zijn vrienden zo te kakken zetten?”, fulmineert Werdmölder voort. Nog even afgezien van het feit dat Voskuils hoofdpersoon zijn werk meer als een martelgang ziet dan als een levensmissie, kan Voskuil niet worden betrapt op het 'te kakken zetten' van zijn vrouw en vrienden. Er wordt in huize Koning misschien meer gekibbeld dan menige andere relatie zou kunnen doorstaan, maar in het openhartige interview dat Hanneke Groenteman afgelopen winter met het echtpaar Voskuil had in het televisieprogramma De Plantage, liet mevrouw Voskuil weten zich niet door haar man bespot te voelen. Voor de vrienden - bij Maarten zijn die op één hand te tellen - geldt vermoedelijk hetzelfde.

“Is dit de wraak van Voskuil?”, vraagt Werdmölder aan het slot van zijn betoog. Ik weet het niet en eerlijk gezegd lijkt mij die vraag ook niet relevant. Zoals het hele betoog van Werdmölder wat mij betreft elke relevantie mist, gezien de talrijke vage veronderstellingen en onjuistheden. Een voorbeeld: na Voskuils afscheid in 1987 zijn volgens Werdmölder de deuren van het instituut wijd opengezet. Er wordt weer hard gewerkt en gepromoveerd. “Van al deze ontwikkelingen blijft de lezer onkundig.” Ja, nogal wiedes, deel drie eindigt in 1975. Ik weet alleen maar dat de andere delen nog in de kluis liggen. Heeft Werdmölder soms stiekem de drukproeven ingezien?

Werdmölder wilde in zijn stuk “de ethische aspecten van deze literaire onderneming” belichten. Dat is een hachelijk avontuur dat niet alleen indruist tegen de literaire vrijheid maar er ook nog eens toe leidt dat Voskuil indirect de grote schoonmaak op het P.J. Meertens Instituut wordt aangewreven. Wat Voskuil doet is dat hij via Maarten en Het Bureau het archetype van de Nederlandse wetenschapper op de hak neemt, zichzelf voorop. Dat sommigen daar zenuwachtig van worden, vooruit dan maar. Maar het geeft te denken dat het leidt tot een ongecontroleerde exercitie als die van Werdmölder.

Voskuils beweegredenen zijn lang niet altijd te doorgronden. Maar één ding is zeker: als Werdmölder ooit een artikel van een dergelijk kaliber bij Maarten Koning zou hebben aangeboden voor plaatsing in Ons Tijdschrift, was het zonder pardon geweigerd. Uit rancune of wraak? Nee, eenvoudig uit gebrek aan wetenschappelijk gehalte. Zo krijgt Voskuil alsnog van Werdmölder zijn gelijk. Al zit hij daar vermoedelijk niet op te wachten.