Het postmodernisme voorbij; Socioloog Huisman trekt ten strijde tegen het 'anti-waarheidsvirus'

Het is wel degelijk mogelijk objectieve sociale wetenschap te bedrijven, vindt Patricia Huisman. Mits je goed op je hoede bent voor je eigen vooringenomenheid. “We moeten rekening houden met de menselijkheid van de socioloog.”

VERBIJSTERD WAS ZE. Vol goede moed was socioloog Patricia Huisman een jaar of vijf geleden begonnen met haar promotieonderzoek over interorganisationele verhoudingen, aan de sociale faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Maar alles waar ze dacht dat wetenschap voor stond, bleek er te worden weggehoond. Wetenschappelijke theorieën werden beschouwd als taalconstructies, waarvan de waarheid niet was aan te tonen. “Alles was je eigen bedenksel, vonden mijn collega's. Of het in werkelijkheid zo was, kon toch niemand vaststellen. Die vanzelfsprekendheid kwam ik overal tegen! Het denken was zo associatief, zo ongestructureerd. Wat je ook zei, het maakte allemaal niks uit.”

Al snel besloot Huisman haar onderzoeksopzet te veranderen en zich te verdiepen in dat merkwaardige postmoderne, constructivistische denken dat de sociale faculteiten doordesemde. “Ik zag het als mijn taak die onopgeloste gedachten te doorgronden, want die manier van denken vormde het fundament van de wetenschapsbeoefening. Tijdens mijn sociologie-opleiding aan de Erasmus Universiteit, begin jaren tachtig, was dat helemaal niet aan de orde geweest. Ik had gewoon de normale, afstandelijke methode voor empirisch, vooral beleidsgericht onderzoek gekregen en verder niets.”

Probleemloos ging die complete wijziging van promotieonderwerp niet. Haar eerste promotor, de bestuurskundige M. van der Val, bewonderde haar moed, maar waarschuwde dat ze zou worden 'gelynched'. Hij hielp - totdat hij plotseling overleed - mee te zoeken naar een nieuwe promotor. Uiteindelijk werd dat de methodoloog M. Zwanenburg. En inderdaad, de meeste collega's zagen haar nieuwe activiteit als zinloos. “Tijdens het schrijven is mij voortdurend dringend en vriendelijk verzocht ermee op te houden.”

Het uiteindelijke proefschrift, Kennis gewogen. Analyse van sociaal-wetenschappelijk denken: kritiek en aanwijzingen (301 blz, Van Gorcum, 1996, ISBN 90 232 3228 3, ƒ 55,-), valt in twee delen uiteen: een kritiek op de dominante denkrichtingen in de sociale wetenschappen en de formulering van een alternatief: het 'kritisch realisme', onder meer gebaseerd op een mensbeeld van de 'mens als biologisch adaptief wezen' met geavanceerde leer-, denk- en ervaringsvermogens. Huisman: “De reacties op het boek waren zeer enthousiast of zeer afwijzend. De categorie wetenschapper die al een tijdje het gevoel heeft dat het allemaal niet zo goed gaat, denkt 'ha!, zo zit dat!'. Maar anderen, die geen oog hebben of willen hebben voor wat er mis is, zien het eerder als een bedreigende aanval dan als een constructieve bijdrage.”

Huisman, sinds eind vorig jaar doctor in de sociale wetenschappen, zit nu thuis. In de ruime huiskamer van een bovenwoning in Rotterdam - met kinderspeelgoed op het parket en een symfonie van Sjostakovitch uit de geluidsinstallatie - vertelt ze dat al weer bezig is met een volgend boek, over praktische gang van zaken aan de universiteit. Daar gaan volgens haar “de organisatiestructuur en het doel van het verwerven van wetenschappelijke kennis elkaar steeds meer bijten”.

Hoe weet u zo zeker dat het 'anti-waarheidsvirus' zo wijd verspreid is in de sociale wetenschappen?

“Dat blijkt uit vrijwel alle publicaties daarover in de vakbladen. En in Amerika is het nog drie keer zo erg als in Nederland. Ik heb dit boek heus niet geschreven rond mijn eigen ervaringen. In gesprekken met mensen van andere universiteiten kwam ik voortdurend de zelfde thema's tegen. Ik heb overigens de indruk dat het postmodernistische denken op zijn retour is, alleen is het erg moeilijk om de weg terug te vinden.”

Waarom is het ooit misgegaan?

“Het is mis gegaan omdat onderzoekers in hun methodieken steeds maar de uitersten gingen zoeken, op grond van eenzijdige mensbeelden. De mens in de oudere empirische positivistische school is een soort Super-iemand, die onbevooroordeeld zuivere kennis vaststelt, niet gehinderd door wat voor obstakel dan ook. En de mens in het postmodernisme is juist weer zo ontzettend beïnvloedbaar door van alles en nog wat, dat hij nooit een beeld kan krijgen van de werkelijkheid. Maar beide uitersten zitten er naast, de werkelijkheid is veel complexer. Mensen hebben vooringenomenheden die zeker in de sociale wetenschap hun wetenschappelijke kennisverwerving sterk kunnen beïnvloeden. Maar het is ook weer niet zo dat wetenschappers een volstrekte slaaf van hun bias, hun vooringenomenheden zijn.”

Wat is het gevolg van al die extreme methodiek?

“Een belangrijk manco in de sociale wetenschap is het denken in monocausaliteit: één factor is allesverklarend. Disciplines werken niet samen. Er is geen integratie van kennis uit de economie, psychologie, sociologie en biologie. Het wordt wel geprobeerd, maar dan komt het vaak neer op het naast elkaar presenteren van verschillende theorieën in het eerste hoofdstuk van een proefschrift. Echt multidisciplinair denken wordt niet geleerd op de universiteit. Er wordt al sinds de jaren zeventig om geroepen, maar het gebeurt niet. Je krijgt hooguit 'een vakje erbij'.

“En daardoor ontbreekt het debat, waarin de verschillende theorieën met elkaar worden geconfronteerd. Er zijn zoveel empirische inzichten over het menselijk gedrag. Waarom richt je zoveel verschillende onderzoeksscholen in als je wéét dat mensen altijd de neiging hebben om zich daarin op te sluiten terwijl de wetenschap juist gebaat is bij onderling debat? En waarom wordt zo geheimzinnig gedaan over kwaliteitscriteria, in geheime peer reviews en selectiecommissies? Zo ontstaat er nooit een helder debat over. Laatst bleek uit een onderzoek uit Zweden, waarbij alleen met een beroep op de openbaarheid van bestuur toegang werd verkregen tot de gegevens, dat peer reviewers behoorlijk vooringenomen waren tegen vrouwen en mensen die ze niet kenden.”

Maar integrale sociale werken bestaan toch wel? Ik denk bijvoorbeeld aan 'Zorg en de staat' van Abram de Swaan (1988), over het ontstaan van de verzorgingsstaat.

“Iedereen met wie ik er over spreek noemt Zorg en de staat! 'Kijk dan toch naar De Swaan!' In feite is dat een trieste zaak. Zoveel mensen zijn alleen al in Nederland bezig met sociale wetenschap, en als het gaat om echte, samenhangende kennis hoor je altijd maar twee of drie namen. Dat is nauwelijks een bewijs van kwaliteit. En De Swaan zou inderdaad heel goed in staat zijn tot zo'n meer integrale sociale wetenschap, hij heeft er de achtergrond voor. Maar juist op dat punt laat hij het afweten. 'Zorg en de staat' bevat heel erg veel Eliassiaanse dogmatiek. Norbert Elias is overigens een socioloog die succesvol heeft geprobeerd meerdere aspecten te combineren. Maar wat je dan weer ziet is dat zo iemand een goeroe wordt, waarbij wat afwijkt van zijn ideeën bij voorbaat wordt afgewezen. Integratie op een hoger plan blijft achterwege. Een andere redelijk succesvolle poging vind ik The social construction of reality, van Peter Berger en Thomas Luckmann (1966).

“Er zijn genoeg mensen die het in zich hebben om te gaan zitten en te overdenken hoe al die losse brokken met kennis te integreren, en greep te krijgen op wat mensen beweegt. Maar het gebeurt niet. Er is geen concurrentie tussen de verschillende scholen, er is geen debat. In Nederland zitten de empiristische sociologen in Groningen en Utrecht aan de ene kant, en essayistische sociologen uit Amsterdam lijdzaam naast elkaar. Dat is zo fout! Wetenschappers zijn verplicht de discussie aan te gaan. Je moet niet zeggen: laat die essayisten maar, we gaan gewoon nòg meer empirisch werken.”

Is dat zo gek? Er zijn in de sociale wetenschap nu eenmaal nauwelijks experimenten mogelijk om te kijken wie gelijk heeft.

“De feedback uit de empirie zal nooit worden zoals in de natuurwetenschappen. Maar schieten we er iets mee op door gewoon ruziënd naast elkaar verder te gaan? We moeten kijken wat van die zeventien verschillende interpretaties bruikbaar is om verder mee te gaan. We moeten veel meer eisen dat nieuwe hypothesen overdacht worden tegen de achtergrond van al bekend is. Vertrekpunten van nieuw onderzoek moeten zo expliciet mogelijk worden gemaakt. Niet alleen de theoretische achtergrond maar óók de impliciete noties die een wetenschapper van de samenleving heeft. Dat zou het debat al veel verhelderen. Neem de rationele-keuze-theorie waarmee de empiristische sociologen in Nederland werken. Dat is een zeer eenzijdige opvatting van de motieven die mensen kunnen hebben.”

Dat geeft toch niet? Die sociologen weten ook zelf wel dat niemand altijd bewuste rationele keuzen maakt. Ze kijken gewoon hoever ze met zo'n theorie kunnen komen.

“Het is natuurlijk niet zo gek om uit de complexiteit van de sociale werkelijkheid een selectie te maken. Maar dan moet je die beperktheid wel voortdurend voor ogen houden en in je conclusies ook de verhouding tot andere manieren van kijken betrekken. Want als je naar de rationaliteit van bijvoorbeeld vriendschap gaat kijken, vind je dat ook, want daar zoek je naar. Maar wat weet je dan? Je moet ook nadenken over wat rationaliteit eigenlijk is. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat in die school niet eenmaal geprobeerd is om expliciet aan te geven wat de rationele-keuze-theorie eigenlijk precies betekent en hoe die zich verhoudt tot andere theoriën. Zo'n concept is een eigen leven gaan leiden dat intuïtief en associatief wordt nagevolgd door de aanhangers. Het is een waarheid in zichzelf geworden: 'er zijn zoveel mensen die zo over denken, dan zal het wel waar zijn'. De gezagsgetrouwheid in de sociologie is groot: 'Bourdieu, Parsons of Weber heeft het gezegd, dus moet 't wel waar zijn'.”

Niets bestaat

'Postmodernisme' bestaat uit twee verschillende stromingen: subjectivisme en structuralisme.

Het subjectivisme gaat ervan uit dat het individu (of de sociale gemeenschap waartoe het behoort) volledig zijn eigen werkelijkheid schept. Ook wetenschap is 'verzonnen': volkomen subjectief. Volgens Huisman is dit 'inzicht' een typisch voorbeeld van overdrijving en verwarring. De sociale werkelijkheid waarin mensen leven, is inderdaad voor een belangrijk deel door mensen zelf gemaakt, maar dat geldt niet voor de fysieke werkelijkheid. Ten tweede is voor een individu zijn sociale omgeving wel degelijk een objectief gegeven, die hij niet naar believen kan veranderen. Verder merkt Huisman op dat het subjectivisme geen universele uitspraken mogelijk acht, maar 'subjectiviteit' zonder enig probleem wèl als algemeen verschijnsel aanvaardt. Bij het structuralisme, met voorlieden als Derrida en Foucault, heeft zelfs het subject afgedaan als bron van kennis. Ook de eigen individualiteit van de mens is een bedenksel. Het structuralisme beschouwt de werkelijkheid als een constructie van in specifieke contexten gecreëerde communicatie - al dan niet in teksten vastgelegd. In feite is er alleen nog tekst, zonder onderscheid tussen feit en fictie. Ook wetenschap is slechts een verzameling teksten. Het inconsequente in deze benadering is volgens Huisman dat teksten niettemin verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. En dat is vreemd, want “als de mens als het te kennen object geen eigen bestaansgrond heeft (want een construct is), dan heeft de mens als het kennend subject dat evenmin”.

Hoe vager, hoe diepzinniger

Logica, heldere begripsvorming en integratie van verschillende theoriën - dat zijn de wapens die de sociale wetenschappen inzetten tegen de gevaren van wazigheid en oncontroleerbaarheid. “Gebrek aan tijd, ongeduld, naïviteit en ongedisciplineerdheid maken dat wetenschappers hierin te oppervlakkig te werk gaan”, schrijft Patricia Huisman in het slothoofdstuk van haar proefschrift Kennis gewogen. In eerder hoofdstukken geeft ze een aantal gruwelijke voorbeelden. Zoals de volstrekt willekeurig hantering van het begrip professionalisering in een proefschrift over het beroep van filmregisseur. Of de onduidelijke definitie van 'thuisbasis' in een onderzoek naar woongroepen. Of - in breder verband - de kunstsociologie en het gebruik van de 'configuratie-theorie'. Ter verbetering van de sociologie geeft Huisman in haar slothoofdstuk vijf vuistregels voor begripsvorming en zeven voor theorievorming. Een selectie.

Uitsluitendheid. Een begrip mag niet naar meerdere verschijnselen tegelijk verwijzen. Veel definities van 'organisaties' kunnen bijvoorbeeld vaak even goed op een clubje schoolvrienden slaan. Maar hoe vager, hoe diepzinniger begrippen vaak lijken, zoals het begrip 'habitus' van Pierre Bourdieu.

Eenduidigheid. In het gebruik wordt aan oude begrippen vaak sluipenderwijs een nieuwe betekenis gegeven, waardoor de verwarring steeds groter wordt; zie bijvoorbeeld het begrip 'objectiviteit'.

Enkelvoudige toepassing. Begrippen om een verschijnsel te analyseren of te verklaren moeten niet gebruikt worden om het zelfde verschijnsel mee te beschrijven, zoals vaak wel het geval is met de begrippen klasse, netwerk, rol, zingeving, enzovoorts.

Vaste hoedanigheid. Vaak worden metaforen gebruikt als benoemingen en die gaan vervolgens een eigen leven leiden. Een abstract analytisch begrip als 'systeem' wordt al snel voor een realiteit gehouden.

Explicitering vooraf. “Onze waarneming van de sociale werkelijkheid is nooit concept- en theorievrij”, aldus Huisman. De enige manier om greep te krijgen op de invloed van deze onbewuste wereldbeelden is ze zo veel mogelijk te expliciteren en deze 'basisconcepten' te toetsen op zaken als consistentie, empirische basis en verklarende kracht, voorafgaande aan de daadwerkelijke theorievorming.

Meervoudigheid. “Het alleen maar erkennen van de complexe aard van de maatschappelijke werkelijkheid helpt niet.” Beklemtoning van één aspect ontslaat niet van de plicht uit te zoeken hoe de details zich verhouden tot het geheel.

Multi-disciplinair denken. “Aan een verschijnsel zijn weliswaar verschillende aspecten te onderscheiden, maar de verschijnselen zelf zijn niet zodanig op te delen dat bij het ene verschijnsel alléén zuiver sociologische begrippen en verbanden gelden - en we culturele en psychologische inzichten kunnen buitensluiten - en bij het andere alléén zuiver psychologische begrippen en verbanden - waarbij sociologische en culturele inzichten irrelevant zijn.” Om toch een enigszins sluitende theorie te krijgen worden dan vaak via een achterdeur toch allerlei impliciete opvattingen over de genegeerde aspecten binnengehaald, waarover geen enkele verantwoording wordt afgelegd.

Multi-causaal denken. Eenzijdige generalisaties, waarbij een gevonden verband tussen bepaalde verschijnselen van toepassing wordt verklaard op alle denkbare verschijnselen, leiden vaak tot een alles-of-niets-stemming: als het ergens niet op blijkt te gaan wordt de generalisatie volledig verworpen en ingewisseld voor een nieuwe, al even eenzijdige analyse.