Het goud houdt Mongolië overeind

Vroeger waren het de buitenlanders die in Mongolië naar goud delfden, nu doen de Mongolen dat zelf. De mijn van Boroo als belangrijkste inkomstenbron voor de staat. Maar de particuliere investeerders blijven nog weg.

BOROO, 14 JUNI. De man in het paarse trainingspak schiet van zijn metalen stretcher overeind. Als beveiligingsambtenaar van de Boroo-goudmijn, 150 kilometer ten noorden van de Mongoolse hoofdstad Ulan Bator, heeft hij zo zijn verantwoordelijkheden. Doorgaans gebeurt er in de kleine nederzetting rond de mijn helemaal niets. Vandaar dat het bezoek van een vreemdeling leidt tot enige consternatie. De ruw tijdens zijn hazenslaap onderbroken ambtenaar grijpt naar zijn baret en prevelt “papieren”. Daarna opent hij de kierende houten deur die toegang geeft tot het gouddepot.

In Mongolië staan de yurts op goud. Dat is een uitspraak die veel van de in ronde tenten wonende nomadenboeren graag laten vallen. Het land, zo bevestigt het hoofd van de geologische afdeling van het ministerie van Industrie en Mijnbouw in Ulan Bator, Borchuluun, is bezaaid met goud. Maar de gebrekkige staat van mijnbouwtechnologie in Mongolië is debet aan het feit dat relatief weinig van het kostbare goed boven de grond wordt gehaald. “Het moet wel ontdekt worden”, zegt Borchuluun. Tot voor enkele jaren waren het de Oost-Duitsers en de Russen die onder de eindeloze grasvlakten goud wisten te lokaliseren. “Inmiddels doen we het zelf”, want met de val van Sovjet-Unie is naast 's lands belangrijkste economische levensader ook zeer veel technologische kennis verdwenen.

De Mongoolse regering heeft de goudindustrie afgelopen jaar aangewezen als de belangrijkste potentiële bron van inkomsten voor een vrijwel lege staatskas. Immers, onder de grond mag Mongolië zich misschien verheugen op een grote hoeveelheid edele metalen en kostbare mineralen, daarboven is het met de rijkdom aanzienlijk minder gesteld. Na de vreedzame revolutie in 1990, en de val van de Sovjet-Unie een jaar later, raakte Mongolië verstrengeld in een diepe economische crisis. Evenals in veel van de voormalige Oostblok-landen hebben de in aller ijl ingevoerde markt-economische hervormingen het merendeel van de bevolking in Mongolië nog maar weinig vooruitgang gebracht. Ruim een kwart van de Mongolen leidt een bestaan onder de armoedegrens van 15 gulden per maand, 20 procent is werkloos en de economische groei is het afgelopen jaar gehalveerd tot 3 procent.

“Het goud houdt Mongolië overeind”, zegt Borchuluun, terwijl hij voor een grote kaart van zijn land staat dat qua omvang West-Europa met gemak bestrijkt. Gele vlaggetjes geven aan waar de belangrijkste vindplaatsen van het goud zijn. Andere kleuren duiden de vindplaatsen van koper - één van de belangrijkste exportproducten - kolen, metaal en uranium. Hoewel koper goed is voor meer dan 40 procent van de totale export in Mongolië en de 5,3 ton goud schril afsteekt tegen de 350.000 ton koper die afgelopen jaar werd gewonnen, hecht de Mongoolse overheid veel waarde aan de ontwikkeling van de goudmijnen. “Het is een eenvoudige manier geld te verdienen”, zegt Borchuluun. “Je hoeft niet op zoek naar een afzetmarkt. Die komt wel naar ons toe.”

Het depot van Boroo, verscholen achter een met prikkeldraad omrande schutting, is het centrum van de staatsmijn in het Selenge-district. Hier worden de goudkorrels, die moeizaam uit vele vrachtwagenladingen rood zand zijn gezeefd, met de hand gesorteerd op zuiverheid. De handelingen die daaraan voorafgaan in het keukentje dat aan de sorteerruimte grenst, ogen simplistisch. Met een metalen stamper wordt het laatste zand dat aan het kostbare goud kleeft verwijderd. Dan wordt het door een andere werknemer, die zich bedient van aluminium pannetjes, kraanwater en een gasfornuis, gewassen, gezeefd, en gedroogd. Een doodernstige zaak die alleen van enige afstand bekeken mag worden, getuige de zwart behaarde arm van ingenieur Barsbold die de toegang tot het keukentje onmogelijk maakt.

In zes plastic koffiebekertjes staat de oogst van de dag: een kilo goud, gewassen uit 750 kubieke meter zand. De tachtig arbeiders die zich bezighouden met het afgraven, wassen en zuiveren van het goudzand verdienen ieder 50.000 toegriek (120 gulden) per maand, de korreltjes goud die dagelijks door hun handen gaan leveren per gram ongeveer 20 gulden op - een gegeven dat er voor de goudgravers van Boroo weinig toe doet. “Al zouden ze willen, niemand, behalve medewerkers die over een speciale vergunning beschikken, kan het goud verhandelen”, zegt Barsbold. Hij behoort samen met directeur Damba tot degenen die wekelijks per jeep de drie uur naar het goudkantoor in Ulan Bator reizen om het gewonnen goud, afhankelijk van de goudprijs in Londen, te verkopen. “Dat is de enige plaats in Mongolië waar dat kan.”

Directeur Damba, die de naam van zijn mijn toepasselijk in goud heeft gedrukt op zijn visitekaartje, heeft kritiek op het Mongoolse goudbeleid. Vanuit zijn sober kantoor in Ulan Bator, voert hij actie voor de opheffing van het staatsmonopolie op de handel in goud. “De Mongoolse overheid ontmoedigt met het monopolie de ontwikkeling van de goudindustrie. Zodra wij zelf handel mogen voeren in het buitenland zal de goudopbrengst zienderogen toenemen.” De 45-jarige Damba is duidelijk het product van het Mongoolse democratiseringsproces dat zich de afgelopen zeven jaar heeft voltrokken. “Ik heb mijn buik vol van staatsplanning”, zegt hij.

“Het belastingbureau plukt ons kaal. Veertig procent van de winst gaat op aan de betaling van inkomstenbelasting, tien procent gaat naar de lokale overheid en nog eens tien procent omvat een heffing na verkoop van het goud.” Damba vindt dat oneerlijk omdat zijn mijn arbeidsintensiever is dan de 58 andere goudmijnen die in Mongolië operationeel zijn. De mijn in Boroo is de enige 'droge' mijn in Mongolië. Er is geen water in de buurt en het vervoer naar de wasplaatsen kost vele extra toegrieks. Het afgraven van het rode zand in Boroo heeft dag en nacht plaats. Althans dat meldt ingenieur Barsbold. Overdag rijden de vrachtwagens af en aan, maar 's avonds is het er verdacht stil. Evenals overal elders buiten Ulan Bator rijden de chauffeurs, bij gebrek aan wegen, een willekeurige route door de grasvlakten. Bij een kleine rivier, twintig kilometer van de mijn verwijderd, wordt het zand gelost. Een waterkanon, Russisch model, schiet de ladingen zand en steen met grote kracht door een metalen zeef. Het goudzand, zo verzekert Barsbold, blijft achter. Op die manier wassen de mijnwerkers hier zevenhonderd tot duizend kubieke meter zand per dag, wat vijfhonderd gram tot vijf kilo goud oplevert. “Gemiddeld is dat ongeveer twaalf gram goud per vrachtwagen”, rekent Barsbold voor.

In Boroo worden geen klompen goud gevonden en ook elders in Mongolië is de opbrengst zeer beperkt. De grootste mijn in het land levert jaarlijks één ton goud op, de kleinste - en daar zijn er vele van - 200 gram goud. Met een potentiële voorraad in heel Mongolië, die is beraamd op 160 ton, is het werk met de huidige stand van techniek binnen vijftien jaar geklaard.

Volgens een voormalige medewerker van een Amerikaanse mijnonderneming, die na een kort onderzoek besloot niet in Mongolië te investeren, is de tegenvallende goudopbrengst de reden waarom buitenlandse investeerders Mongolië tot dusver niet massaal hebben aangedaan. “Geloof niet wat de regering beweert”, waarschuwt hij. “Politici zeggen wat ze willen in de hoop investeerders aan te trekken. De gouden bergen die een ieder in het vooruitzicht worden gesteld, blijven uit.”