Het ei van Netelenbos

(H è, hè, dat was een opluchting. Eindelijk eens lekker uitslapen en op je gemak ontbijten. De 'tweede fase' was door de Tweede Kamer. Nu moesten alleen de scholen het nog even invoeren. De leerlingen zouden straks wel op hun neus kijken. “Ze moeten gewoon harder werken”, dacht ze en knalde het ontbijtei op tafel. “Zie je dat het kan staan. Het is een kwestie van wilskracht.”)

“Ze komen er niet uit”, zei Piet. “Waar heb je het over?”, vroeg ik. “Over de commissie tweede fase hier op school. Ze zitten nu al weken te rekenen en te piekeren en te praten, maar ze komen er niet uit. Ze komen tekort, ze komen leraarlessen tekort. Dat komt natuurlijk omdat ze in Den Haag altijd bezuinigen”, zei Piet verontwaardigd.

“Nee Piet, het zit anders”, zei ik, “ik zal het je uitleggen. Een VWO-leerling moet straks 1.600 uur per jaar werken, hij heeft 1.600 zogenaamde studielasturen. Dat is in de klassen 4, 5 en 6 samen 4.800 uur. Nu kun je met enige moeite uitrekenen hoeveel studielasturen hij op dit moment heeft. Hoeveel uur heeft een leerling, die in zeven vakken examen doet, in de bovenbouw van het VWO nodig, denk je?” “Dat is nooit 4.800 uur”, zei Piet. “Precies. Netelenbos zei toch immers dat het programma zwaarder moest worden? Wel, de studielast op dit moment is in de buurt van 4.000 uur. Dat betekent dat de VWO-leerling straks 20 procent meer werk moet verzetten. En voor Havo is het verschil nog groter”, zei ik.

“Het is toch belachelijk dat je in deze tijd van vakbonden en arbeidstijdverkorting zomaar zonder slag of stoot zonder enig onderzoek de werklast van een hele bevolkingsgroep kunt vergroten, ook al zijn het dan jonge mensen. Dat noemt zich nota bene democraat”, zei Piet.

(“Ze moeten gewoon harder werken”, zei ze en knalde het ontbijtei op de tafel. “Zie je dat het kan staan. Het is een kwestie van wilskracht.”)

“Laten we het daar niet over hebben”, antwoordde ik. “Ik ga je nu iets over jouw ellende uitleggen. Jij moet jouw leerlingen straks net zoveel economie leren als op dit moment. Alleen hebben de leerlingen circa 20 procent meer schoolwerk dan nu.” “Dat maakt voor mij toch niks uit?”, vroeg Piet zich af, “ze moeten alleen vaker naar school. Ze zitten nu zo'n 30 lessen in de week op school en straks dus 30 plus 20 procent, laat eens kijken, dat is 36 lessen per week.”

“Nee Piet. Wie zou ze les moeten geven die extra uren? Jij blijft gewoon 28 uur lesgeven per week en de leerlingen hebben net als nu 30 uur per week les. Alleen, in plaats van vier uur economie per week geef jij ze nog maar drie uur. Ze hebben immers nog meer te doen.” “Maar, dat kan toch niet? Ik kan ze in drie uur toch niet leren, waar ik vroeger vier uur over deed? En ze hebben ook nog eens minder tijd voor huiswerk.” Piet werd kwaad. “Zie je nou. Het is wel een bezuiniging.”

“Nee Piet, het is geen bezuiniging. De tweede fase wordt budgettair neutraal ingevoerd. De scholen krijgen evenveel geld voor evenveel leerlingen en er zijn dus evenveel leraren. Alleen moeten de leerlingen harder werken. Ze moeten immers meer leren. En de leraren moeten ook harder werken, natuurlijk.”

(“Ze moeten gewoon harder werken”, zei ze en knalde het ontbijtei op de tafel. “Zie je dat het kan staan. Het is een kwestie van wilskracht.”)