Geld en taal

De Europese munteenheid, die komt er. Hoe meer de streefdatum nadert, des te minder zullen de cijfers nog van belang blijken. Zonodig worden ze op wonderbaarlijke wijze aangepast aan de streefgetallen.

Uit een overzicht in Le Monde (Dossiers et documents, juni 1997) blijkt dat alleen Italië en Griekenland nu nog een begrotingstekort hebben dat significant hoger is dan de norm van drie procent van het bruto nationaal product. Alle andere landen zitten daaronder, of enkele tienden van procenten erboven. Maar die promilles betekenen helemaal niets: de meting van het nationaal product en de vaststelling van het begrotingstekort zijn veel te grof, de berekeningswijze verschilt te veel van land tot land om een kleine overschrijding zo serieus te nemen dat een lidstaat daarom wordt uitgesloten. Zelfs Portugal met een tekort van 3,4 procent wordt straks nog wel de Europese munteenheid binnengeloodst.

Er is nog een ander vereiste voor toelating: de omvang van de totale staatsschuld. Alleen Frankrijk, Groot-Brittannië en Luxemburg blijven onder het maximum van zestig procent van het bruto nationaal produkt. België en Italië komen op het dubbele uit, maar zelfs de ijveraars Nederland en Duitsland overschrijden de norm. Ook die uitschieters zullen worden goedgepraat. Alleen Griekenland, dat toch al buiten het aaneengesloten territoir van de Unie ligt, zal dan nog een tijd lang met zijn eigen drachmen moeten woekeren.

Om dat zo stellig te beweren, is het beter niet te veel van economie te weten. Die kennis leidt maar van de hoofdzaak af. Er lopen bankiers rond die beweren dat ze met 3 procent echt 3,000 procent bedoelen. Maar drie procent zal ook 3,1 betekenen of 3,2 en desnoods 3,4 procent. Een staatsschuld die tweemaal zo hoog is als was afgesproken, zal straks zonodig met improvisatie en interpretatie nominaal worden gehalveerd. Wat zich voltrekt is een spel van intimidatie en chantage.

Het is aannemelijk dat een gemeenschappelijke munt alle leden van de Unie groot voordeel zal opleveren: interne besparingen en een sterkere onderhandelingspositie tegenover economische machten buiten de EU. Maar de landen met een harde valuta dreigen nu de landen met hoge schulden dat ze hen zullen uitsluiten van de gemeenschappelijke munt, omdat zij anders aan die schulden moeten meebetalen. Op hun beurt chanteren de landen met de hoge schulden de landen die hun schulden goeddeels hebben ingelost met de nadelen die hun uitsluiting alle lidstaten, dus ook de schuldloze, zal berokkenen.

Niemand weet werkelijk wat de kosten zullen zijn van uitsluiting of van toelating, en van invoering of afgelasting van de euro, dus komt het neer op schatting en gissing, op dreiging en afdreiging.

Is dat erg, is dat verwerpelijk? Welnee. Maar alles wat de politici en hun bankiers nu in het openbaar zeggen dient al om hun tegenpartij te overtuigen dat zij vastbesloten en onvermurwbaar zijn. Pas in de laatste ronde, vlak voor de sluitingstermijn, zal elke partij toegeven om het grote compromis te bereiken. De Europese landen zijn samen al te ver heen om het project nog op te geven.

Als iedereen in Europa betaalt met gelijke munt, moet dan ook niet iedereen spreken in dezelfde taal? Vertolking en vertaling vormen nog een veel grotere kostenpost dan de omrekening van koersen en het wisselen van valuta. De schommeling van de wisselkoersen in het betalingsverkeer is minder storend dan de verschuiving van betekenissen in het vertalingsverkeer.

Elf talen maal tien talen - dat wil zeggen 110 tolken voor elke zitting zijn er nodig, en straks na de uitbreiding van de EU nog veel meer. Ze worden opgevoerd als een continentale catastrofe. Toch lopen er bij het Europese parlement op elke zitting vast ook 110 bewakers rond en nog veel meer secretaresses, obers en diensters. Niemand ziet dat als een bedreiging voor de Europese eenwording. Waarom wekken die tolken dan toch zoveel verontrusting? Een paar honderd tolken die zijn opgeleid om te vertalen van het Portugees naar het Iers, van het Grieks naar het Deens, van het Frans naar het Tsjechisch, dat kan toch alleen maar het onderling begrip in Europa versterken!

Ook hier is het dreigen en afdreigen al begonnen. Als kleine landen hun taal niet opgeven dan (ja wat dan?) breekt de algehele spraakverwarring uit of gaat de Unie failliet aan de vertaalkosten. Maar het tegendeel van deze verscheidenheid aan talen wordt nog meer gevreesd: dat een enkele voertaal overblijft, een die nu al het meest verbreid is en onder jonge Europeanen algemeen geworden is: het Engels.

Iedereen in de Unie is bereid net te doen alsof de euro iets anders is dan de gegeneraliseerde Duitse mark. Kan dan ook niet iedereen net doen of het euro iets heel anders is dan het veralgemeende Engels? Dan wordt dat euro-Engels de verkeerstaal in Europa. Dat zal Frankrijk nooit accepteren. Dus kan Duitsland het niet aanvaarden. Maar dan blijft Spanje op zijn rechten staan. Italië moet zich nu wel handhaven. De beurt is aan Nederland om zich te poneren. En zo voort, tot Iers en Letzebürgisch toe.

Waar dat op uit loopt? Hetzelfde mechanisme van onderlinge dwang dat de Europese landen aanzet tot een munteenheid dringt hun ook een taaleenheid op. In alledaagse contacten voorbij de grenzen wordt Engels de voertaal, bij officiële plechtigheden en als de volksvertegenwoordigers in het openbaar samenkomen zijn alle Europese talen gelijkelijk toegelaten. In Zuid-Europa fungeert naast het Engels het Frans als tweede vreemde taal, in Oost-Europa wordt na het Engels Duits de tweede voertaal. Binnenslands blijft iedereen de landstaal spreken (binnenstreeks de streektaal).

Hoe meer talen in de Europese Unie erkend worden, des te eerder wordt het Engels de eenheidstaal. De Europese taaleenheid, die komt er. Daartegen is misschien verzet mogelijk, maar dan alleen nog in het Engels.