Finnen vertrouwen op eigen kracht

Het Finse buitenlandse beleid is gericht op samenwerking, maar voor zijn veiligheid vertrouwt het land vooral op eigen kracht.

HELSINKI, 14 JUNI. Het leger is populair in Finland. De verdediging van het land is een zaak waarbij iedereen zich betrokken voelt. “Negentig procent van de bevolking is bereid mee te doen aan de verdediging van het land”, zegt Pauli Järvenpää, onder-directeur-generaal op het ministerie van Defensie.

Järvenpää is een van de opstellers van het nieuwe tienjarenprogramma voor de Finse defensie, dat volgende week in het parlement zal worden besproken. Het omvat - voor het eerst in de Finse geschiedenis - een groot aantal structurele bezuinigingen. Zo wordt het aantal brigades dat in oorlogstijd kan worden gemobiliseerd teruggebracht van 27 naar 22. Nog maar 430.000 in plaats van 540.000 manschappen kunnen onder de wapenen worden geroepen (op een totale bevolking van vijf miljoen). De gevechtskracht kan volgens het rapport op sterkte blijven door moderner materieel en betere scholing. Het budget (teruggebracht van ruim zes procent van de begroting in de jaren zestig, maar 5,3 procent nu) is overigens zo laag dat geld voor de aanschaf van dure aanvalshelikopters en radarvliegtuigen ontbreekt.

De basis van het Finse defensiebeleid blijft, aldus het rapport, dat het land zich op eigen kracht moet kunnen verdedigen. En daar zijn de Finnen trots op. Ook nu ze, na de toetreding tot de Europese Unie in 1995, steviger verankerd zijn in Europa. Het rapport schrijft daarover: “Het lidmaatschap van de Europese Unie geeft geen garanties voor militaire veiligheid, maar verschaft wel bescherming op basis van wederzijdse solidariteit.” Het heeft de “drempel die overschreden moet worden om druk uit te oefenen” verhoogd.

Het zijn opmerkelijke uitspraken, zeker omdat in de discussie die voorafging aan de toetreding tot de EU het veiligheidsaspect juist zoveel mogelijk werd gemeden. Het links-socialistische parlementslid Jarmo Wahlström: “Veel mensen hebben achteraf het gevoel dat het EU-lidmaatschap aan vergroting van onze veiligheid heeft bijgedragen. Maar de toenmalige president Koivisto heeft in zijn toespraak bij de aanvraag van het lidmaatschap met geen woord over de veiligheid gerept. Vooraf speelde het dus niet.”

Van aansluiting bij de NAVO moeten de Finnen vooralsnog niets hebben. Ze hebben een groot wantrouwen tegenover de organisatie, aldus Jaakko Iloniemi, minister van Staat en directeur van het Centrum voor Finse Bedrijfs- en Beleidsstudies. “Zullen we, als het er op aankomt, wel militaire steun krijgen? We hebben zo'n lange grens met Rusland, we regelen onze betrekkingen met Moskou daarom liever zelf.” Ook het regeringsrapport is terughoudend over de NAVO. Het stelt dat het nieuwe lidstaten wel eens zou kunnen beperken in hun mogelijkheden “om deel te hebben aan beslissingen die hun eigen veiligheid raken”.

“Moskou moet overtuigd worden van de positieve kanten van een grotere NAVO”, zegt een hoge regeringsfunctionaris, “maar daar moet je de tijd voor nemen, want Moskou heeft nog een oud beeld van de NAVO. Wij willen de uitbreiding van de NAVO juist vergemakkelijken door het lidmaatschap niet aan te vragen. Dat is in het belang van de NAVO.”

Voorzichtigheid blijft een belangrijke trek van de Finse buitenlandse politiek. De lange grens met Rusland is een dominant strategisch gegeven en in het licht daarvan is een politiek van niet-gebondenheid de beste garantie voor blijvend goede verhoudingen, ook na de Koude Oorlog. Toetreden tot de NAVO zou in Moskou als provocatie uitgelegd worden. “Een verandering in die opstelling wordt pas denkbaar als de NAVO zich werkelijk zou ontwikkelen van een verdedigingsorganisatie tot een veiligheidsorganisatie”, aldus de regeringsfunctionaris.

Intussen is het Finse leger wel trots op deelname aan de Noordse brigade, die onderdeel uitmaakt van het NAVO-apparaat in Bosnië. Ook participeert het leger actief in het 'Partnership for Peace'-programma van de NAVO. Die samenwerking past bij de Finse veiligheidspolitiek, die graag elke gelegenheid aangrijpt om de nationale veiligheid op een indirecte manier te versterken.

Over de door de regering uitgezette koers bestaat brede overeenstemming. Als het rapport op 17 juni in de plenaire vergadering van het parlement wordt besproken, zal het vrijwel algemene steun krijgen, zo is de verwachting. Hannu Kemppainen, parlementslid van de Centrumpartij, steunt het rapport van harte, ook al zit zijn partij momenteel in de oppositie. “Neutraliteit en vertrouwen op eigen kracht, dat is de lijn van het rapport en daarom is het een goed rapport”, aldus Kemppainen. Wahlström van de Linkse Alliantie: “Onze partij is unaniem: geen lid van de NAVO, geen lid van de WEU. De lijn van de regering is op dit punt heel duidelijk en geheel in overeenstemming met die van onze partij.”