Emigranten toen en nu

Enige tijd geleden heb ik in het provinciaal archief in Leeuwarden naar de roots van een Amerikaanse vriendin gezocht. Het was spannend speurwerk, want zij wist van haar naar Amerika geëmigreerde grootvader alleen zijn achternaam, dat hij Fries was, ongeveer in 1860 was geboren en in 1882 in New York was aangekomen.

Waarom wist ze zo weinig? Zoekend in geboorte-, huwelijks- en overlijdensacten met meer kruisjes dan handtekeningen ontstond een beeld van het leven in die tijd op grond waarvan ik zijn zwijgzaamheid wel meende te kunnen begrijpen. Wat was er voor hem te vertellen geweest aan zijn zoon, haar vader? Armoe en nog eens armoe op schrale grond. Een kind verwekken voor wie je eigenlijk niet kon zorgen. Zijn verleden moet gruw en grauw zijn geweest, de toekomst moest alles anders maken. En dat deed het ook, dus waarom achterom kijken?

Hij werkte in Amerika aan de aanleg van een spoorlijn en voor ieder jaar arbeid kreeg hij een bepaalde hoeveelheid grond, waarop hij, toen hij voldoende bijeengewerkt had, een boerderij begon. Haar vader werd daar geboren en later zij zelf. Maar zij heeft haar grootvader nooit gekend en hij heeft nooit geweten dat hij een geleerde kleindochter zou krijgen. Omdat ik haar kende als iemand in een hoge academische functie, was het zien van zijn kruisje op de Friese huwelijksacte ontroerend.

Hij ging, zo bleek uit de archieven, alleen naar Amerika, zodat ik bang was zijn kleindochter te moeten vertellen dat hij vrouw en kind in Friesland in de steek had gelaten om ook in dat opzicht een nieuw leven te beginnen. Maar dat viel mee. Mijn vondst betekende voor haar alleen maar een verklaring voor de nooit duidelijk te plaatsen lieve tante Anna uit haar kinderjaren: het heel oud geworden kleine meisje dat haar vader kennelijk met haar moeder was nagereisd. Haar grootvader was begin deze eeuw in Amerika getrouwd, zijn eerste vrouw was dus waarschijnlijk enige tijd na aankomst overleden.

Dit is het oerbeeld dat wij van emigratie hebben. Zowel burgemeester Peper van Rotterdam als president Clinton refereerden eraan toen zij tijdens de Marshallherdenking spraken over de Pilgrimfathers die in de zeventiende eeuw uit Delfshaven vertrokken en Europa voorgoed vaarwel zegden. Emigreren is naar het andere eind van de wereld vertrekken en alle schepen achter je verbranden. Het was een bron voor veel weemoedige literatuur en schilderkunst. Afscheid voor altijd, maar in de hoop er beter van te worden, en zo je het niet zelf wordt, dan toch je kinderen en kindskinderen. Alleen de krantenjongen die miljonair werd had geld genoeg om uit heimwee of nostalgie nog eens terug te gaan naar het oude vaderland.

Het beeld werd bevestigd in de jaren vijftig. Wie toen naar Australië, Canada, Nieuw Zeeland of Zuid Afrika vertrok was echt voorgoed weg. Bij het zwaaien vanaf het emigrantenschip was er het besef allerlei familieleden en vrienden nooit meer terug te zullen zien. Pas in de late jaren zeventig maakte de welvaart het voor sommigen mogelijk de verre emigranten eens op te zoeken. Er kwam zelfs een speciaal reisbureau voor.

Zulke emigranten hadden geen keus: om in het nieuwe land te kunnen aarden moesten zij op enigerlei wijze integreren. Het was immers het enige land waar zij voortaan thuis hoorden. Heimwee was een niet te permiteren luxe. Wie er toch aan leed, redde het waarschijnlijk niet, tenzij men voldoende lotgenoten om zich heen had. De Italianen in New York vormden een zelfgekozen concentratie in Little Italy en konden zo een eigen subcultuur vasthouden - inclusief een mafia. Chinezen in Amsterdam en San Francisco hadden en hebben hun eigen wijken en boden en bieden aan elkaar voldoende gemeenschap om niet op te hoeven gaan in de nieuwe cultuur. Hoe prachtig beschreven door Amy Tan in de Joy Luck Club en hoe verkeerd om dan van ghetto's te spreken, zoals gebeurt wanneer Turken of Marokkanen in grote steden in Nederland zo veel mogelijk in elkaars buurt willen wonen.

Zou het niet kunnen zijn dat Nederlanders, kijkend naar en denkend over de deze immigranten, onwillekeurig dit oude beeld van een nieuw vaderland hanteren. En is dat reëel? Niet alleen is het voor mensen moeilijk om echt in een nieuwe cultuur te wortelen als zij omringd zijn door landgenoten. Belangrijker is dat zij tegenwoordig geregeld kunnen teruggaan naar het land van oorsprong, hun eigen land, soms twee of meer keer per jaar. Dit zorgt voor een andere vorm van emigratie dan die waarvan de beelden in onze hoofden liggen opgeslagen. De allochtone bevolking van Nederland bestaat misschien voor een flink deel helemaal niet uit landverhuizers of immigranten, maar uit mensen die een groot aantal jaren in het (voor hun) buitenland wonen. Zodra het kan, gaan ze weer even terug, logeren bij familie die niet voorgoed vaarwel is gezegd.

Door de moderne vervoersmogelijkheden en de daarmee onstane mobiliteit is het begrip emigratie van betekenis veranderd. Integratie kan dan voor velen ook niet meer betekenen dan dat men loyaal is ten aanzien van de wetten van het land waarnaartoe men is verhuisd. Voor het overige houdt men vast aan het eigene.

Voor de grootouders van mijn vriendin was de weg terug afgesloten toen hun schip de haven uitvoer. Eenmaal aangekomen leerden zij zichzelf Engels. Maar kan men van alle immigranten in ons land verwachten dat zij Nederlands leren als de weg naar de moedertaal door de vele reismogelijkheden en het vele telefoneren zo open blijft? Hoe weinig Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland zullen later, als ze volwassen zijn, net zo onwetend over hun herkomst zijn als de vroegere Amerikaanse immigranten?