De tuinbroek van de vuilnisman

Hoe hevig worden de nationale sentimenten nu 'Europa' dichterbij komt? Vlak voor de top de laatste aflevering in een serie over de lasten en lusten van de EU. Deel 15: Gouda. Nu nog loopt de gemeentelijke vuilnisman in een mooi blauw pak, en bij mooi weer in korte broek. Krachtens de Europese regels moet dat straks in fluorescerend oranje.

Een heuse 'modeshow' moest er aan te pas komen voordat het personeel van de gemeentelijke reinigingsdienst in Gouda zich neerlegde bij de nieuwe bedrijfskleding. Dat oranje valt veel te veel op en is zo besmettelijk als de ziekte, zo luidde de algemene klacht tegen de nieuwe uniformen. En dan die tuinbroek...

Nu lopen de mannen van de stadsreiniging 's zomers als het dertig graden is nog in een korte broek, maar binnenkort is de tuinbroek, die van buiten niet eens van katoen is, verplicht. Pas toen de grootste oproerkraaiers de kleding showden en de eveneens uitgenodigde vrouwen enthousiast constateerden dat de gemeente de uiterst kwetsbare uniformen zelf gaat wassen (en hun dus die taak uit handen neemt), legden de mannen zich neer bij het onvermijdelijke.

Stafmedewerkers hadden het verzet van de mannen overigens al aangetast met het 'EU-argument'. “Als we zeiden dat we ook niets aan dat oranje konden doen omdat Brussel felle kleuren wil, vielen ze direct stil. Ze beseften dan onmiddellijk dat verzet zinloos was”, aldus Nolly Jansen-Tempels, stafmedewerkster van de reinigingsdienst.

Maar nog altijd klinkt in de vrolijke aanvaarding van de nieuwe kleding nog een element van protest door. “Als ik het echt warm krijg, ga ik wel met mijn blote piemel in die tuinbroek”, zegt vuilnisman Peter Gorissen. En een aantal vuilnismannen heeft al aangekondigd allergisch te zijn voor de stof waar het nieuwe pak van is gemaakt. Gouda doet aan 'dossiervorming': als medewerkers niet in bedrijfskleding op het werk verschijnen, kan uiteindelijk ontslag volgen.

'Ontdek de wereld die Europese Norm 471 heet'. De titel van de brochure van een Nederlandse fabrikant van 'signaalkleding' (waarschuwingskleding met hoge zichtbaarheid) klinkt als een uitnodiging voor een spannende vakantiereis. Maar Jansen, die in Gouda naging wat EN 471 voor het reinigingspersoneel betekent, associeerde de norm al snel met lange telefoongesprekken met officiële instanties die weer niets opleverden en nietszeggende briefjes als antwoord op het zoveelste verzoek om informatie.

Europese Norm 471 werd in maart 1994 door het zogeheten Europese Normalisatie-instituut in Brussel aangenomen en geldt voor signaalkleding die na 1 juli 1995 wordt aangeschaft. Zij maakt deel uit van een serie technische voorschriften die tot doel hebben door standaardisatie één interne markt in de Europese Unie te scheppen. Deze Europese normen verschillen van de beleidsvoorstellen in het Witboek over de Interne Markt van Lord Cockfield (1985), omdat niet Europese ministerraden maar werknemers en werkgevers gezamenlijk op Europees niveau (met het normalisatieinstituut als 'bemiddelaar') over de standaardisatie beslissen. Door deze aan de politiek te onttrekken zou de besluitvorming versneld worden, zo was het argument, en zouden mensen uit de praktijk samen de beste besluiten kunnen nemen.

EN 471 onderscheidt drie klassen signaalkleding. Klasse I dient voor bescherming tegen 'minder gevaarlijke invloeden', Klasse II tegen 'gevaarlijke invloeden' en Klasse III tegen 'levensbedreigende invloeden'. Voor elke klasse staan in de norm eisen voor - bijvoorbeeld - de minimumafmetingen van de fluorescerende en reflecterende delen van de kleding. Zo moet een werker langs de straat die in Klasse II valt, een halve vierkante meter fluorescerende stof (bijvoorbeeld: fel oranje) aan zijn lichaam hebben. De kleding moet daarnaast reflecterende biezen bevatten van een minimale omvang van 0,13 vierkante meter.

De norm (in Nederland slechts beschikbaar in het Engels) leek tot op dat punt duidelijk. Maar de grote vraag was natuurlijk: in welke klasse valt het reinigingspersoneel? Jansen: “In de norm gaat het alleen om de omstandigheden waarin mensen werken en wordt niet gesproken over beroepsklassen.” Vanaf ongeveer april 1995 stuurde zij brieven naar het ministerie van Sociale Zaken met de vraag de 'risicofactor' van vuilnis ophalen in te schatten.

Een jaar lang bleef het stil, totdat op 4 september 1996 een brief van het ministerie van Sociale Zaken in Gouda arriveerde. “In normale omstandigheden voldoet klasse II voor reinigingspersoneel”, schreef het ministerie. “Maar daar schoten we niets mee op”, zegt Jansen, “Wat zijn normale omstandigheden? Moeten onze mensen dan ineens klasse III gaan dragen als ze een moeilijke klus hebben?”

Ook leveranciers konden Jansen niet helpen. “Onze oude producent kwam heel trots zijn ontwerp tonen voor de nieuwe uniformen. Toen ik hem zei dat dat klasse I was en dat je die alleen op je eigen bedrijfsterrein kunt gebruiken, ging hij zo ongeveer in tranen de deur uit.”

De kwestie van de klassen heeft tot grote verwarring in Nederland geleid, zegt ook Debbe van der Hoek van kledingproducent Snickers in Apeldoorn. “Klasse III-kleding is ongeveer tien tot twintig procent duurder dan die van klasse I, dus het is logisch dat je daar bijvoorbeeld als gemeente goed over nadenkt.”

Maar ondanks de hogere prijs hebben veel werkgevers uit veiligheidsoverwegingen toch maar voor klasse III gekozen. Van der Hoek: “Je bent als werkgever namelijk verantwoordelijk voor de risico-inventarisatie die aan de aanschaf van de signaalkeding vooraf moet gaan. Als je voor de verkeerde klasse kiest en er gebeurt iets met een van je medewerkers, dan krijg je een fikse boete van de arbeidsinspectie. Daarnaast is het ook heel waarschijnlijk dat de werknemer die bij het ongeval betrokken was, een schadeclaim indient omdat jij hem als werkgever niet goed genoeg hebt beschermd.”

En goed advies, zo bevestigen alle betrokkenen, is er niet. Van der Hoek: “De uitleg verschilt van gemeente tot gemeente, van ARBO-dienst tot ARBO-dienst”.

Maar heeft de normalisatie wel geleid tot één Europese markt voor signaalkleding, zoals de bedoeling was? En leidt dat dan weer niet tot lagere prijzen omdat producenten van de kleding over heel Europa met elkaar moeten gaan concurreren? In Gouda moet Jansen alleen al bij het idee hartelijk lachen. “Dacht je dat wij met een Spaanse fabrikant in zee gaan? Ik heb geen zin om naar Madrid te bellen als we plotseling een probleem met onze bedrijfskleding hebben.”

Gouda had het 'geluk' dat het bedrag voor de vervanging van de bedrijfskleding ruim onder de limiet valt die aanbesteding in Europa, en dus niet alleen in Nederland, noodzakelijk maakt. Andere steden en bedrijven, zo bevestigen betrokkenen, bewerken de cijfers echter op zo'n creatieve manier dat ook zij niet Europees hoeven aan te besteden. Grote tegenslag voor de interne markt is ook dat Duitsland de norm nog niet toepasbaar heeft verklaard. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft in Nederland Rijkswaterstaat inmiddels aanvullende eisen aan zijn bedrijfskleding gesteld.

Voorlopig, zo bevestigen alle betrokkenen, heeft de veiligheidskleding alleen maar tot extra uitgaven geleid. Doordat speciaal reflecterend materiaal gebruikt moet worden, liggen de prijzen van de kleding ongeveer dertig procent hoger dan vroeger, bevestigen de fabrikanten. Ook het onderhoud is duurder. Omdat het reflecterende materiaal kwetsbaar is en de norm voorschrijft dat de kleding onmiddellijk vervangen dient te worden als zij niet meer voldoende reflecteert, laat Gouda de kleding zelf wassen. “Dat is omslachtiger dan zelf thuis wassen. We hebben daarom gekozen om drie uniformen per medewerker aan te schaffen in plaats van twee, zoals vroeger.” Jansen schat dat de totale vervanging ten minste twee keer duurder is uitgevallen dan in het verleden.