De gevederde varen

Sommige culinaire recepten zijn zo meeslepend geschreven dat je geen rust kunt vinden voor je ze geprobeerd hebt; hetzelfde geldt soms voor beschrijvingen van planten in tuinboeken. Christopher Lloyd is er heel goed in, en ook E.A. Bowles mag er wezen. Hun adviezen zijn zo betrouwbaar dat je de betreffende plant blindelings kunt kopen, net als de blije klanten van een van de grote Parijse warenhuizen: Les yeux fermés j'achète tout à la Samaritaine.

Maar voor plantencatalogussen gaat dat niet op. Zaadcatalogussen bevatten soms heel smakelijke beschrijvingen, vooral van groenten, maar die zijn bedoeld om thuis in eenzaamheid bekeken te worden, terwijl de plantencatalogus meestal niet meer is dan een begeleiding bij het bekijken van de planten in de kwekerij. Toch heb ik in mijn tuin één spectaculaire plant die daar is terechtgekomen als gevolg van een beschrijving in een kwekerijcatalogus.

Het is een varen genaamd Polystichum setiferum 'Plumosum Bevis', een cultivar van de zachte naaldvaren, en ik verwierf haar bij wat blijkbaar de enige kwekerij in Nederland is die haar in voorraad heeft, De Hessenhof*. Deze plant is een overblijfsel uit de tijd van de varengekte die in de negentiende eeuw in Engeland woedde, toen de mensen het platteland afschuimden op zoek naar steeds zeldzamere soorten en ze onderbrachten in grotten met water dat langs bemoste muren droop. Dat klinkt op zichzelf al meeslepend negentiende-eeuws: vochtige en beschaduwde tuinen die praktisch binnenshuis waren. Soms zie je er nog wel eens de overblijfselen van: vastberaden op het noorden uitziend, met tegelvloeren, ingewikkelde bevloeiingsbuizen en grillig gevormde rotsen. De varengekte stierf uit, het Engelse landschap leeggeplunderd achterlatend, met uitzondering van een paar van de gewoonste varens. Er lijkt nu een bescheiden herleving te zijn begonnen en een aantal Victoriaanse cultivars zijn nu opnieuw beschikbaar. (Je vraagt je af waar ze in de tussentijd waren: ondergedoken?)

De catalogus van de kwekerij wijdt een hele bladzijde aan 'Plumosum Bevis', beschreven als “een legendarische varen” (dat is nu het soort omschrijving dat mij al naar mijn portemonnaie doet tasten). Zij werd ontdekt door John Bevis, een boerenknecht, die haar vond op een laantje in Dorset. Hij ging ermee naar een bekende varenverzamelaar in de buurt, een zekere Dr Wills, die meteen zag “dat hij hier te maken had met één der beste vondsten die hij ooit had gezien”. Lange tijd werd gedacht dat de plant steriel was en totaal geen sporen voortbracht, maar “toch hebben sommige kenners kans gezien om m.b.v. een vergrootglas enkele sporen te verzamelen, die ook weer sensationele nakomelingen voortbrachten”.

De kwekerij kreeg één scheut van Reginald Kaye, een varenkweker in Lancashire, en die werd acht vruchteloze jaren lang vertroeteld. Toen vatten ze eindelijk de moed op haar in tweeën te splitsen (de catalogus waarschuwt daartegen, en je kunt je de gevaren indenken). Ten slotte bleek het onmogelijk haar op de normale manier te vermeerderen, dat wil zeggen door 'broedbolletjes' te nemen van de oorspronkelijke plant. Er was geen andere oplossing dan een weefselcultuur maken ('weefselen' heet dat tegenwoordig), hetgeen gezien wordt, misschien omdat je in één klap zoveel plantjes krijgt (negenhonderd in dit geval), als onsportief, niet volgens de regels. Toch lijkt het heel wat eenvoudiger dan de plant afzoeken met een vergrootglas.

Het is in elk geval een buitengewoon mooie varen, met extreem gevederd blad. Michael Jefferson-Brown beschrijft haar (onder de onjuiste naam 'Pulcherrimum Bevis') met “zeer precies en ingewikkeld ingesneden bladeren, stevig bijeengehouden en gemaakt lijkend van een vreemd metaal”. Het is waar dat je naar beneden gebogen randen zou verwachten, alsof ze uit metaalplaat waren geponst. De andere 'zachte' naaldvarens die ik bezit zijn niet speciaal zacht bij aanraking, maar 'Bevis' wel: de bladeren zijn zo fijn ingesneden dat ze op veertjes lijken. Het is bijna of de natuur, daar in die laantjes, haar best had gedaan om een huisplant voort te brengen, zo delicaat en verfijnd ziet de gevederde varen van meneer Bevis er uit.

Met goede keukenrecepten heb je de neiging je te herinneren waar ze vandaan kwamen; dat geldt ook voor speciale planten in de tuin. Ik kan mijzelf nog duidelijk Geranium wallichianum 'Buxton's Blue' zien kopen op de tuinfair bij de Porte de St Cloud in Parijs; l'Art du jardin heette het. Op het moment zelf had het iets onwezenlijks: toen ik nog in Parijs woonde had ik nog geen tuin, en het was zonderling mijzelf in de métro te zien zitten met twee grote planten in plastic tassen, net als in Nederland. De andere plant was een Corydalis flexuosa, nu helaas ad patres - zij maakte een lange omweg om hier in Holland te sterven - die ik in Parijs kocht bij de stand van een Engelse kwekerij. Ook 'Buxton's Blue' heeft haar belofte niet erg waar gemaakt. Maar ze leeft tenminste nog.

De 'Plumosum Bevis' kocht ik vorig jaar bij de stand van De Hessenhof op de Internationale Kwekerijdagen te Bingerden**. Het was een uitzonderlijk hete dag, de minst gunstige dag van het jaar om varens te kopen, maar we waren er nu eenmaal en de planten ook. Er was ook een soort depot waar je je aankopen kon achterlaten zodat je je handen vrijhad om meer te kopen; ik kon de mijne haast niet optillen toen ik ze allemaal bij elkaar had. Maar ze arriveerden veilig op hun bestemming, en afgezien van een clematis die nooit werd geplant (ik dacht dat er altijd wel genoeg ruimte was voor nog eentje meer, maar dat bleek een gepasseerd station) tieren ze nu allemaal welig. Het enige waar ik nog niets over kan zeggen is de sla, uit organisch zaad van een Franse firma, nog niet opgekomen. Maar haar naam spreekt boekdelen: Grosse Blonde Paresseuse.

* Hessenweg 41, 6718 TC Ede, 0328-617.334

** Internationale Kwekerijdagen, 20-22 juni, Huis Bingerden, Angerlo, 0313-472.202.