Consument schiet nauwelijks iets op met de certificeringsdrift van adviseurs; Financiële planners hunkeren naar status

Een professie zonder diploma stelt niets voor. Advocaten en chirurgen hebben daarom titels, voetreflex-masseuses en schoonheidsspecialistes hebben getuigschriften, loodgieters en verwarmingsmonteurs hebben schriftelijke erkenningen en elke managementtraining besluit met een certificaat. Het kon niet uitblijven: ook het groeiende gilde financiële planners wil erkenning.

Al twee certificerende instanties bieden de door planners zo felbegeerde status. Het zijn de vorig jaar opgerichte Federatie Financiële Planners (FFP) in Utrecht en het veel kleinere Instituut voor Certificering en Financiële Planning (ICFP) in Eelde. Vooral de FFP mag zich verheugen in grote belangstelling. Vanaf juli 1996 dienden zo'n 1700 geldadviseurs op grond van hun kennis en ervaring verzoeken om vrijstelling van het FFP-examen in; 515 gelukkigen kunnen hun certificaat deze week ingelijst aan de wand achter hun bureau hangen.

Belangrijke oorzaken van de certificeringswoede zijn onze nationale voorspoed en afnemende overheidszorg. Die twee factoren maken financiële planning tot een trend. Een Rabobank-onderzoek toont aan dat al 42 procent van de Nederlanders de term kent. Voor een breed scala geldadviseurs is die ontwikkeling een groeiend gat in de markt. Certificering komt hen goed uit. Het kan de status van hun vak verduidelijken en opvijzelen. In hoeverre de consument daarbij gebaat is, moet zich nog bewijzen. De zichtbare daden van FFP tot nu toe beperken zich tot het uitreiken van de ruim vijfhonderd certificaten; de ICFP is nog bezig met de werving van leden.

De aanpak en plannen van beide organisaties verschillen sterk. De FFP test zijn leden vooral op kennis. Planners die geen vrijstelling kregen, moeten examens afleggen in de vakken belastingen, financieringen, huwelijksvermogens- en erfrecht, sociale zekerheid, sparen en beleggen, levensverzekeringen en pensioenen. Iemand die vier vakken beheerst èn minimaal twee jaar als financieel planner werkt, krijgt een certificaat. Een speciale vooropleiding is niet nodig.

Leden moeten zich wel houden aan een gedragscode van twaalf punten. Uit die code blijkt het karakter van de FFP: het is meer een belangenorganisatie voor planners, dan een waarborg voor de consument. De eerste drie regels bevatten voor klanten onbelangrijke definities en toelatingseisen. Vijf voorschriften zijn vanzelfsprekend. De planner moet zich ondermeer houden aan wetten en regels, zijn diensten 'naar eer en geweten verrichten', zorgvuldigheid en geheimhouding betrachten, deskundig zijn en blijven, en zich onthouden van misleidende uitlatingen.

Dat laatste kan desondanks een verbetering betekenen, want een recent onderzoek in de Consumentengeldgids geeft aan dat hypotheekadviseurs regelmatig foute berekeningen maken en boeterentes voor het oversluiten van hypotheken vergeten te melden. In een ander onderzoek berekenden drie adviseurs het Anw-hiaat te laag omdat ze de Anw-halfwezenuitkering voor kinderen vergaten en omdat ze niet vroegen naar pensioenen van eerdere werkgevers.

Twee regels uit de FFP-gedragscode kunnen de belangen van de cliënt zelfs schaden. De planner moet rekening houden met de belangen van bijvoorbeeld de bank of verzekeraar voor wie hij werkt. Voorts mag hij niets negatiefs zeggen over een door een collega-planner verleende dienst.

Slechts in twee van de twaalf coderegels is duidelijk aan de consument gedacht. Een cliënt kan klachten voorleggen aan een commissie van toezicht. Tenslotte heeft hij recht op antwoord als hij zijn planner vraagt hoeveel hij verdient aan de producten die hij adviseert. Vooral doen. De wetenschap dat een tussenpersoon een paar duizend mille verdient aan een lijfrentepolis maakt kritischer.

De ICFP bestaat enkele maanden. De eerste planners worden in september gecertificeerd. Eind van dit jaar hoopt men honderd leden te hebben.

De ICFP blijkt meer consumentgericht dan de FFP. Aspirant-leden worden via een gesprek, referenties en de uitwerking van een advies-case vooral beoordeeld op adviesvaardigheden. Parate kennis acht de stichting minder belangrijk. Leden betrekken die via een elektronische database of het aan de organisatie verbonden netwerk van experts.

Een kwaliteitskeurmerk moet klanten verzekeren van objectieve adviezen. Dat wil zeggen: de cliënt betaalt voor analyse en advies, maar hij kan dat advies laten uitvoeren door wie hij wil en hij hoeft geen producten te kopen. Vóór afgifte moeten ICFP-planners hun rapporten laten keuren. De ICFP kijkt of ze geen productnamen noemen en of hun analyse de volgende elementen bevat: een samenvatting, een analyse van het risicoprofiel van de klant, een analyse en prognose van het bruto en netto inkomen, bestedingen en besparingen, omvang en samenstelling van het vermogen en pensioenrechten bij ongewijzigd beleid, een plan voor financiële rampen (overlijden, arbeidsongeschiktheid, ontslag) tussen nu en het eerste pensioenjaar, en tenslotte de planning van doelen, wensen en voorwaarden.

Na de analyse volgt een advies met minimaal de optimale belegging (gelet op risicoprofiel en doelstellingen), het haalbare extra inkomen uit beleggingen en de haalbare extra besparingen op uitgaven om de doelstelling te realiseren. De prijs van de adviezen zijn nog in studie. De ICFP hoopt, met een goede elektronische database en software voor de klant, uit te komen op 950 gulden per plan.

De tijd zal moeten leren of de klant met FFP- en ICFP-adviezen beter af is. De situatie in Amerika, koploper in persoonlijke financiële planning, stemt weinig hoopvol. De auteur van het kritische handboek 'Personal finance for dummies', Eric Tyson, betitelt de meesten van de tienduizenden gecertificeerde planners in dat land als 'verkopers met een certificaat'. Ook hier moeten consumenten kritisch blijven.