Antropomorfisme bij interpretatie van diergedrag valt mee

Een jonge grizzlybeer in het Amerikaanse Yellowstone Park heeft een smakelijk stuk vlees gevonden. Net wanneer hij het in de bek neemt, verschijnt een grote volwassen beer. Hij laat het voedsel direct vallen, gaat erop zitten en begint schijnbaar sterk geïnteresseerd naar een verre bosrand te staren.

Zien we dit goed? Moderne ethologen en vergelijkende psychologen zijn doorgaans heel bezorgd over de psychologische interpretatie van diergedrag. Vanuit ons eigen standpunt als soort dichten we dieren beweegredenen en reacties toe die in werkelijkheid absoluut geen rol spelen. De banvloek op aan menselijk gedrag ontleende termen maakte het lastig dieren anders te zien dan als willoze actoren A en B die een concrete handeling X uitvoerden dan wel 'ontvingen'.

Hoe groot is de neiging van mensen willekeurig antropomorf te werk te gaan? Amerikaanse psychologen hebben zich aan het vraagstuk gewaagd (Behaviour 134, 173-204). Antropomorfisme definiëren zij als de mate waarin beoordelers van gedrag een psychologische staat veronderstellen die overeenkomt met die van mensen in die situatie. Zo'n zevenhonderd beginnende psychologie-studenten kregen verhalende gedragsbeschrijvingen voorgelegd van zoogdieren, inclusief mensen, die jaloezie of bedrog als interpretatie suggereerden. Verschillende soorten namen beurtelings de hoofdrollen waar in overeenkomende gedrags- en situatiebeschrijvingen. Vervolgens werd de proefpersonen gevraagd in hoeverre ze bepaalde psychologische karakteriseringen en aanduidingen van toepassing vonden, zoals 'aandacht vragen', 'de gevoelens verbergen', 'onverschilligheid voorwenden' en 'boos', 'verheugd' of 'in verwarring' zijn.

De onderzoekers onderscheidden vijf bronnen van antropomorfe standpunten. De eerste is de overeenkomst in fysieke verschijning: mensen, chimpansees, apen en beren worden dan als psychologisch meer overeenkomend gezien dan olifanten, otters en honden. Als kennis van biologische verwantschap een rol speelt, zou dat zich uiten in het vooral aanwijzen van overeenkomst tussen de psychologie van mensen en andere primaten. Als vertrouwdheid en affectieve banden met een diersoort doorslaggevend zijn, zouden nu juist de drijfveren van honden vaker op één lijn gesteld worden met die van mensen. Culturele stereotypen zouden zich er juist weer in uiten dat dieren als chimpansees en dolfijnen als slim en menselijk worden beschouwd. In het mooiste geval, het vijfde, zouden zulke vooroordelen geen rol spelen. Onafhankelijk van de soort wordt de interpretatie van het gedrag dan geleid door wat in voorbeelden aan gedrag en context in neutrale termen beschreven wordt.

Dat blijkt nu precies de wijze van beoordeling die de grootste rol speelt. Variaties in de context hadden effect op de interpretatie, maar die in soorten niet. Psychologische termen worden niet uitsluitend voor mensen gebruikt, maar als gedragsbeschrijvingen. Antropomorfisme is verre van uitgebannen, maar verschillende soorten worden niet verschillend beoordeeld - en dat is wel zo wetenschappelijk. Manco van het experiment is dat het zich beperkte tot zoogdieren: onbekend blijft of kakkerlakken ook het etiket 'jaloers' opgeplakt zouden kunnen krijgen. Niettemin geeft het aan dat het met de neiging van mensen geleid door vooroordelen gedrag te interpreteren meevalt.