Amerikaanse dichter Charles Simic opent Poetry International; Wereldverbeteraars beschouwen poëzie als een ziekte

De Amerikaanse dichter Charles Simic opent vanavond het festival Poetry International in Rotterdam met een verdediging van de dichtkunst. Dat is niet overbodig, zegt de in Joegoslavië geboren dichter, want: “De poëzie heeft vele vijanden.”

Charles Simic: Een hond met vleugels. Vert. Peter Nijmeijer. Meulenhoff, Tweede druk 1997. Meer vertaald werk van Simic staat in het juni-nummer van De Gids.

ROTTERDAM, 14 JUNI. Het is 'Simic' (uitgesproken simmik), niet 'Simic' (uitgesproken simitsj). Weliswaar is de dichter Charles Simic in 1938 geboren in de Joegoslavische hoofdstad Belgrado, maar hij woont al sinds 1954 in de Verenigde Staten en is ook daar pas tot schrijven gekomen. Hij stelt er geen prijs meer op dat zijn achternaam op z'n Joegoslavisch wordt uitgesproken.

“Zelfs tijdens mijn dienstplicht in het Amerikaanse leger noemden mijn sergeants me Simic. Ik ben er helemaal aan gewend geraakt, dus doet u dat ook maar”. En tenslotte heeft hij nog nooit een letter poëzie in het servo-kroatisch geschreven, maar uitsluitend in het Engels.

Vanavond opent Simic het festival Poetry International in Rotterdam met een verdediging van de dichtkunst. Tegen welke vijanden? “De poëzie heeft vele vijanden”, zegt Simic, weggezonken in een fauteuil van het sombere handelsreizigershotel, waar het festival hem heeft ondergebracht. “Sommige geleerden, filosofen, geestelijken - iedereen eigenlijk die gelooft in de mogelijkheid van verbetering van de mens”.

Aan hervormers en ideologen heeft Simic een broertje dood. “Ideologieën gaan meestal niet over ideeën, maar zijn een noemer waaronder de dragers van een ideologie collectief hun superioriteitsgevoel kunnen beleven”, heeft hij geschreven. Bijna elke ideologie heeft de vernietiging van het individu hoog in het vaandel staan, zegt Simic.

Poëzie daarentegen is de uitdrukking van de uniciteit van elk leven, dat het waard is geëerd en verdedigd te worden. “Elke hervormer wantrouwt daarom de poëzie en beschouwt haar als een ziekte, die genezen moet worden”, vindt Simic.

Simic schrijft en spreekt veel over poëzie - in zijn oeuvre houden de dichtbundels en essays elkaar in omvang aardig in evenwicht. “Ik moet wel over poëzie spreken, want ik doceer Amerikaanse literatuur en creatief schrijven aan de University of New Hampshire”, zegt hij. “Maar het komt in vlagen: soms schrijf ik er veel over, en dan is er weer een periode dat ik het gevoel heb dat ik er voor de rest van mijn leven niets meer over te zeggen heb”.

Een van zijn geliefkoosde mikpunten als essayist zijn pogingen tot het schrijven tot filosofische poëzie. “Ik lees heel graag filosofen”, zegt Simic. “Door hun werk probeer ik me een voorstelling te maken van wat ik intuïtief al heb ingezien. En bovendien moet je altijd in de gaten houden wat de concurrentie doet”. Voor filosofie is in de dichtkunst echter geen plaats, vindt hij.

“Filosofen zijn jaloers op dichters. En terecht: dichters doen alles wat filosofen proberen te doen: een gevoel van werkelijkheid creëren, de smaak van het leven overbrengen. En soms doen dichters zelfs pogingen tot verklaring van het leven, of doen voorstellen hoe je moet leven. Poëzie is een arrogante, schandalige bezigheid - een gevaar voor de staat en alle andere vormen van rationele organisatie. Plato had het goed gezien: wég met de dichters!”

Zijn eigen poëzie vergelijkt hij graag met het werk van de Joseph Cornell (1903-1972), de Newyorkse beeldend kunstenaar van Nederlandse afkomst die de straten en rommelwinkels afstroopte en voorwerpen bijeenbracht in een soort kijkkasten, en daarmee het wezen van de stad New York tot uitdrukking wilde brengen. “Zo denk ik ook over mijn gedichten - als een soort schoenendozen waarin je elementen van verschillende herkomst bij elkaar brengt”, zegt Simic, die over Cornell een half-essayistisch, half-poëtisch boek schreef (Dime Store Alchemy, The Ecco Press 1992).

Daarin prijst hij Cornell, een eenling die beïnvloed was door surrealisme en dadaïsme, vooral als 'modernist'. “Het modernisme heeft het individu ongekende vrijheid gegeven om zijn of haar eigen wereld uit te vinden”, schrijft hij. “Als Emerson of Thoreau (negentiende-eeuwse Amerikaanse dichters, red.) het bos in gingen, wisten ze vrij aardig wat ze zouden vinden - maar voor Cornell was elk uitstapje een avontuur”.

Wat hem in modernistische kunststromingen uit het begin van onze eeuw, zoals het surrealisme, aantrekt, is hun pretentie de werkelijkheid te beschrijven en te verklaren, alsof dat eerder nog niet is gebeurd. “Dat was in de dertiende eeuw, om een voorbeeld te noemen, heel anders. Toen overheersten dogma en gezag”. De poëzie is tot deze pretentie geroepen, meent Simic. “Misschien wordt ik daarom door de zogeheten post-modernisten wel als een bejaarde modernist bestempeld. Maar ik vind dat een idiote discussie”.

Onze eeuw is, behalve die van het modernisme in de kunst, ook een bijzonder moorddadige geweest, constateert Simic. De geschiedenis van zijn geboorteland biedt hem ruimschoots stof ter adstructie van deze stelling. In 1985 heeft hij, op uitnodiging, voor het eerst een autobiografisch essay over zijn jeugd geschreven (In den beginne was er de radio) en sindsdien duikt Joegoslavië regelmatig op in zijn werk - niet expliciet in zijn gedichten, maar wel in de essays.

Tot zijn vroegste jeugdherinneringen behoort het grote bombardement op Belgrado in 1941. Zijn vader vluchtte tijdens de oorlog al naar de Verenigde Staten, de rest van het gezin wist zich pas in 1954 daar bij hem te voegen - na een paar jaar ervaring met repressieve communistische dictatuur, een spannende illegale grensoverschrijding van Joegoslavië naar Oostenrijk, en een jaar verblijf in Parijs.

Pas in de VS ontwikkelde Simic zich tot schrijver en uitsluitend in het Engels. “De meisjes op wie ik indruk wilde maken, konden geen andere taal lezen”, verklaart hij het feit dat hij nimmer de neiging heeft vertoond ook in het servo-kroatisch te gaan dichten, “een geval van toegepaste poëzie”. Sinds zijn emigratie is hij slechts twee keer voor een kort bezoek in Joegoslavië terug geweest.

Toch heeft de jongste burgeroorlog in Joegoslavië ook deze Amerikaanse dichter niet onberoerd gelaten. “Ik heb me vanaf het begin geërgerd aan de manier waarop, tot in de beste Amerikaanse kranten aan toe, tegen die oorlog werd aangekeken. Er werden dan van die pseudo-historische analyses gepubliceerd, waaruit moest blijken dat sommige nationalismen goed waren, en andere slecht. Joegoslavië werd ingedeeld in een rooms-katholiek deel, waar men hard wilde werken en het verlangen naar democratie genetisch was verankerd, en een orthodox-byzantijns deel waar dat alles niet het geval was. Ik vind dat een volkomen imbeciele, racistische benadering”.

Simic' standpunt over de oorlog is dat van zijn Servische grootmoeder, die de wereld indeelde in moordenaars en niet-moordenaars en een instinctieve afkeer had van de ideologieën waarmee moordlust werd gerechtvaardigd. In zijn geboorteland Servië heeft deze met kracht beleden overtuiging hem niet alleen maar vrienden opgeleverd; “ik ontving laatst nog een schriftelijke vragenlijst van een Servisch weekblad, waarin werd gevraagd of het waar was dat ik president Clinton heb aangespoord om Belgrado te bombarderen”.