Altijd achter (1)

Mijn bijna negenjarige dochter zit op de 14e Montessorischool. De beruchte grachtengordelschool, waar de ene intellectueel na de andere zijn of haar geliefde prepuber naar het LBO ziet afreizen (zie Schoolvoorbeeld 'Altijd wachten, altijd achter', W&O 7 juni).

Ook onze Nica is slachtoffer van 'falend schoolbestuur, jonge leerkrachten en een gebrek aan leiding'. Ze weet alles van dinosaurussen - carnosaurussen eten 'met zun vieren' een langnek op - maar ze kan nog niet behoorlijk lezen. Ik roep al anderhalf jaar dat ze volgens mij een leerachterstand heeft, maar de enthousiaste jonge juf bezweert mij steeds dat ze écht 'op niveau' is ('Op welk niveau dan?', 'Nou, als dáár te zijner tijd geen atheneumadvies uitkomt...'). Omdat we niet de enige ouders zijn die hun twijfels hebben bij de leerprestaties van hun telg wordt de hele school getest en scoort ver onder de maat. Ook Nica. Aangezien onze verhuizing ophanden is, tijgen we met de uitslag van de test naar een andere Montessorischool. Eentje met een goede naam, en om de hoek van het nieuwe huis. De orthopedagoge aldaar ziet in de testuitslagen niets bijzonders. Onze dochter is gewoon op haar niveau. Dat geeft ons weinig vertrouwen voor de toekomst.

Zou het dan toch aan het systeem liggen? Die twijfel heeft mij al vaker bekropen. Ik vraag me bijvoorbeeld af of ze bij de aardrijkskundeles nog iets anders doet dan kaartjes inkleuren. 'Wat leer je daar eigenlijk over?', vraag ik als ze Nederland weer eens heeft uitgeknipt. 'Leer je ook iets over de grondsoorten, of over de gewassen die er worden verbouwd?' Daar moet ze diep over nadenken. 'Nou mam', zegt ze uiteindelijk, 'we hebben wel eens gehoord dat er ooit leven was op Mars.'

We besluiten eieren voor ons geld te kiezen, want Mars is ver weg en dinosaurussen zijn uitgestorven. Op een degelijke school in Zuid begrijpt men ons probleem. Nica wordt er wederom getest. De achterstand in leesvaardigheid bedraagt maar liefst anderhalf jaar, voor de spelling iets minder en voor rekenen 'slechts' een aantal maanden. De docent spreekt van didactische verwaarlozing, al snapt hij ook wel dat hij daar de enthousiaste jonge juf geen recht mee doet. Omdat Nica slim en leergierig blijkt mag ze toch over naar groep zes, op voorwaarde dat we er met een grote stapel huiswerk en een flinke dosis discipline tegenaan gaan om de achterstand in te lopen.

De volgende dag mag ze wennen. We houden ons hart vast. Twee jaar lang heeft ze de klas gedeeld met meisjes die - heel montessoriaans - allemaal een of twee groepen lager zitten. Dat verschil in niveau is haar weliswaar noodlottig geworden, getuige de desastreuze testresultaten, maar veilig is het wel. In de nieuwe klas is alles anders: grote jongens en meiden en een meester die kort van stof is in plaats van de enthousiaste jonge juf. Daar zal ze een harde dobber aan hebben. Maar nee, om drie uur blikt mij een stralend koppie tegemoet. 'Mam', zegt ze verbaasd, 'je moet hier gewoon werken. Bij ons kan dat nooit. Als ik wil werken beginnen ze te kletsen, dan moet Ilse bijvoorbeeld weer zeggen dat de poes van haar oma dood is of zo... En je mag hier niet eens zelf weten wat je doet! Dat vind ik wel stom, nou ja, best leuk eigenlijk, want dan verveel ik me tenminste niet zo.'