Zwijgend en verloren; De Nederlandse stomme film geïnventariseerd

Geoffrey Donaldson: Of Joy and Sorrow. A Filmography of Dutch Silent Fiction. Stichting Nederlands Filmmuseum, 304 blz. ƒ 79,90.

Het filmpje heette Gestoorde hengelaar en het werd geproduceerd door het Eerst Nederlandsch Atelier tot het vervaardigen van Films voor de Bioscoop en Cinematograaf van M.H. Laddé en J.W. Merkelbach, gevestigd in een studiootje in Buiksloot, in het landelijk gebied ten noorden van Amsterdam. Wanneer het voor het eerst werd vertoond, valt niet meer te achterhalen. Wel staat vast dat het op 28 november 1896 door de bioscoop-exploitant G.C. Slieker is gedraaid in de parktuin Tivoli in Utrecht. Ook heeft hij het in juli 1897 op de kermis van Leeuwarden aan het hooggeëerde publiek laten zien.

Wat er in Gestoorde hengelaar gebeurde, weet niemand meer. Op een strooibiljet van Slieker staat het geannonceerd als 'komische scène'. Het filmpje zelf is niet bewaard gebleven, en foto's zijn er evenmin. Wie de acteurs waren, is nergens geregistreerd. Hooguit valt te vermoeden dat M.H. Laddé, die een geestdriftig hengelaar was, zelf de hoofdrol heeft gespeeld. Hij was de schoonzoon van J.W. Merkelbach, die voornamelijk bekend stond als winkelier in fotomaterialen. Het filmpje bestaat, kortom, alleen nog bij de gratie van dat ene strooibiljet.

Maar is dat zo erg? Vermoedelijk is er geen artistiek hoogtepunt aan verloren gegaan; het is wellicht een slapstick-achtig filmpje geweest volgens een procédé waar Amerika destijds veel bedrevener in was. De filmgeschiedenis kan ook wel worden geschreven zonder dat er een blik is geslagen op de Buiksloter huisvlijt van een fotohandelaar en zijn schoonzoon. Zo zou men er schouderophalend aan voorbij kunnen gaan. Ware het niet, dat Gestoorde hengelaar naar alle waarschijnlijkheid het allereerste speelfilmpje is dat ooit in Nederland werd gemaakt.

Als zodanig is het namelijk vermeld in het vorige week verschenen boek Of Joy and Sorrow van Geoffrey Donaldson, een Engelstalige inventarisatie van alle Nederlandse fictie-films uit de periode van de zwijgende cinema - een groot en lijvig en voorbeeldig uitgevoerd naslagwerk, dat in één keer een nog door weinig anderen verkend terrein openlegt. Met het nu onvindbare werkje van Laddé en Merkelbach begint dit boek. De tweede vermelding betreft de Brandweerfilm uit 1897, een gespeeld filmpje over de brandbestrijders van de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft, de derde heet 'n Roeitochtje met hindernissen te Scheveningen van de bioscooppionier Anton Nöggerath (1899) en de vierde is 'n Herinnering aan wijlen Z.M. Willem III, een rijtoer makende door het Vondelpark te Amsterdam, eveneens in 1899 door Nöggerath gefilmd. Maar ook van deze producties zijn geen bewegende beelden bewaard gebleven. Pas bij het vijfde lemma, over een serie van zeven filmpjes die in het najaar van 1899 als entr'acte werden vertoond in een revue in het Grand Théâtre in Amsterdam, staat voor het eerst dat het Nederlands Filmmuseum er kopieën van heeft.

Of Joy and Sorrow is voor Geoffrey Donaldson ongetwijfeld de kroon op zijn levenswerk. Hij verliet in 1955 zijn geboorteland Australië om naar Amerika te gaan, maar hij kwam niet verder dan Rotterdam en besteedde sindsdien al zijn vrije tijd aan het verzamelen van feiten en feitjes over de vroegste Nederlandse filmgeschiedenis. En hoewel daarvan enkele deelgebieden intussen ook door andere onderzoekers werden beschreven, bleef Donaldson de man die er het meeste van wist en in die andere boeken dan ook steeds werd vermeld als belangrijke bron. Zelf publiceerde hij er al die jaren nauwelijks over; hij hield zijn kruit droog voor de definitieve filmografie die hem voor ogen stond. Hij raadpleegde duizenden kranten en tijdschriften, en omdat hij vroeg genoeg was begonnen, kon hij ook nog corresponderen met de betrokkenen die inmiddels bijna allemaal overleden zijn - de regisseurs, technici, acteurs, actrices en andere pioniers uit die tijd.

Zo groeide het archief dat nu de vorm van een letterlijk en figuurlijk gewichtig boekwerk heeft gekregen. Een leesboek is het niet geworden, want Donaldson houdt zich aan de harde gegevens en dist zelden een schilderachtige anecdote op, maar als feitenverzameling is het fenomenaal. En wie de wereld achter al die titels, namen en cijfers wil zoeken, krijgt daartoe volop de kans. Al was het maar door de vele honderden authentieke aankondigingen en recensies van de vermelde films te raadplegen, waarvan Donaldson uiterst punctueel alle verschijningsdata heeft opgenomen. Af en toe had hij er naar mijn smaak trouwens zelf wel iets uit mogen citeren; de mededeling dat in een artikel in de Nijmeegsche Courant van 20 april 1904 wordt onthuld hoe de truc met de onthoofding in het filmpje Muis Hamel bij den coiffeur in zijn werk is gegaan, is mij iets te karig.

In een inleiding beschrijft de filmhistoricus Peter Delpeut de zwijgende film in Nederland als een aaneenschakeling van accidental incidents. Dat is een aardige formulering, die echter meer lijkt op te gaan voor de huidige situatie dan voor de zwijgende periode. Veel van de vermelde titels waren inderdaad incidenten, mede omdat Donaldson een ruimhartig vermeldingsbeleid hanteerde. Zo nam hij ook de zestien amateurfilms van Dick Laan op, en bovendien het familiefilmpje De Wigwam uit 1915, gemaakt door de dertienjarige Joris Ivens en vanzelfsprekend niet in de bioscoop vertoond. Maar daarnaast zijn er in die tijd minstens drie producenten geweest die aan de lopende band films lieten maken. Niet voor niets had het woord filmfabriek destijds volstrekt geen negatieve lading; het was soms zelfs met trots verwerkt in de naam van de desbetreffende onderneming. In totaal is hier de beschikbare informatie over 342 films en filmpjes verzameld; de laatste dateren uit 1933, het jaar waarin ook de eerste Nederlandse geluidsfilms (Willem van Oranje en De Jantjes) in première gingen.

Alles bij elkaar ontstaat uit deze inventarisatie de indruk dat er in de zwijgende tijd heel wat meer continuïteit in de Nederlandse film heeft bestaan dan ooit in de sprekende versie het geval is geweest. En een echte filmster hadden we destijds óók al: de overrompelend expressieve Annie Bos, aan wie Donaldson - hoewel ze in 1975 overleed - zijn boek heeft opgedragen. In de films die ik van haar heb gezien (en vooral in het epische Een Carmen van het Noorden uit 1919) trekt zij alle aandacht weg van haar veelal uit bordkarton opgetrokken tegenspelers.

Het meest schokkende feit heb ik voor het laatst bewaard. Van die 342 films en filmpjes blijken we er nog maar 83 min of meer compleet te hebben en van 19 andere zijn alleen fragmenten teruggevonden. Driekwart van wat er is gemaakt, in totaal 240 titels, lijkt geheel verloren te zijn. Telkens is het weer een anticlimax, na allerlei interessante details en naast de adembenemend mooie scènefoto's, het zinnetje te lezen waarmee veel van de lemma's moeten worden afgesloten: 'The film is missing'. Zo slordig is er dus mee omgesprongen, en zo belangrijk is het dat iemand als Geoffrey Donaldson nu heeft vastgelegd wat er nog van valt vast te leggen - voordat er helemáál niets meer van over is.