Zeventien jaar verschil; All Stars en Spetters schrijven sociale geschiedenis

Van alle kanten wordt geprobeerd de tijdgeest op zijn staart te trappen. Maar nooit gaat iemand eens langs bij dat stiefkind van onze cultuur, de Nederlandse film. Bas Heijne doet dat wel.

All Stars is te zien in bioscopen in het hele land. Spetters en Flodder zijn te huur bij de videotheek.

Het verhaal van All Stars, de hitfilm van Jean van de Velde over een groepje voetballende jongens die op dit moment in de bioscopen draait, komt ruwweg overeen met dat van een andere bekende Nederlandse film: Spetters, van Paul Verhoeven, uit 1980. Een groepje jongens op de drempel naar de volwassenheid wordt met het volle leven geconfronteerd. Stuk voor stuk moeten ze hun illusies inleveren en aan het eind van beide films blijkt hun jeugd voorgoed voorbij. Sport is het bindmiddel voor hun vriendschap; voetbal in All Stars, motorcross in Spetters. In beide groepjes bevindt zich één jongen die zijn homoseksuele geaardheid verborgen houdt voor zijn vrienden - en die uiteindelijk hardhandig gedwongen wordt met zichzelf in het reine te komen. Zelfs de titels van deze twee films drukken dezelfde kreetachtige bravoure uit.

Maar de verschillen! Juist omdat de verhaallijnen eenzelfde stramien volgen, valt op hoe radicaal anders van toon de films zijn. Aan de manier waarop het verhaal verteld wordt, kun je zien hoeveel er de afgelopen twintig jaar in Nederland veranderde. Natuurlijk is die bewering riskant, want het gaat immers om produkten van de verbeelding, niet om sociale documentaires. Maar beide films mikken op de smaak van een groot, jong publiek, en de regisseurs is er alles aan gelegen om een zo direct mogelijke identificatie van de bioscoopbezoeker met de personages te bewerkstelligen. Dat is gelukt, in 1980 en 1997; beide films zijn een succes.

Er wordt tegenwoordig van alle kanten geprobeerd de tijdgeest op zijn staart te trappen - wat beweegt ons, hoe staan we ervoor. Er bestaat een grote behoefte aan spiegels waarin we onzelf kunnen zien. Je kunt niets doen, denken of vinden zonder dat het in een breder maatschappelijk kader wordt geplaatst en iets geacht wordt te zeggen over deze tijd. Maar nooit gaat iemand eens langs bij dat stiefkind van onze cultuur, de Nederlandse film. Toch denk ik dat je een redelijk betrouwbare sociale geschiedenis van Nederland na de Tweede Wereldoorlog zou kunnen schrijven aan de hand van de weinige speelfilms waarop een groot publiek is afgekomen. Met hun artistieke kwaliteit heeft dat niets te maken, maar juist in de behaagzucht van de makers van deze publieksfilms opent zich een vergezicht. We zien onze veranderde preoccupaties, de manier waarop het leven wordt beleefd. Spetters en All Stars zijn niet minder authentiek Hollands dan De Jantjes of Rooie Sien.

In de zeventien jaren tussen Spetters en All Stars hebben zich grote veranderingen voltrokken. In Spetters spreekt het wat sukkelige personage dat door Maarten Spanjer wordt gespeeld voortdurend met een grappig bedoeld pseudo-Surinaams accent. Het doet je herinneren aan de eindeloze reeks Surinamer-moppen die midden jaren zeventig de ronde deed. Zoiets is in All Stars onvoorstelbaar - een van de vrienden die elkaar iedere zaterdag treffen in het amateurteam is een donkere jongen. Hoewel er onder douche wel lelijke opmerkingen over homo's gemaakt worden (het is tenslotte voetbal) waagt geen van de jongens zich aan een grap over huidskleur. Dat is meer dan politieke correctheid, denk ik - de zwarte jongen in het team wordt domweg niet meer als wezenlijk anders gezien. In de film ontpopt hij zich weliswaar als een nogal oubollig personage en de acteur die hem speelt lijkt ook niet goed raad met hem te weten, maar zijn ambitie - een televisiespelletje ontwikkelen dat hem rijk zal maken - maakt hem tot een van de groep. Net als de andere jongens heeft hij idiote trekjes die bedoeld zijn om hem vertederend te maken; hij is een personage waarmee iedereen zich kan identificeren.

Kirrende mannen

Maar de grootste maatschappelijke verschuiving tussen de twee films is de manier waarop homoseksualiteit wordt verbeeld. In de tijd van Spetters mochten er al homoseksuelen bij Sonja Barend komen klagen dat de film homovijandig zou zijn. Wie de film nu terugziet, moet erkennen dat de zaak ingewikkelder ligt - zo ingewikkeld dat je mond ervan open valt. Een van de drie vrienden, de mecanicien die de motoren voor de anderen onderhoudt, bespiedt heimelijk homoseksuelen op donkere plekken in Rotterdam. Hij berooft ze en slaat ze in elkaar. Die homo's behoren grotendeels tot het soort dat je tegenwoordig in geen enkele film meer zult aantreffen: kirrende mannen met fladderende handen en hooggeblondeerde jongens die bij de eerste tik in hartverscheurend snikken uitbarsten. Maar de potenrammer wacht een lesje: in de beruchtste scène van de film wordt hij door een straatbende van ruige homo's (?!) vastgehouden en groepsgewijs verkracht. Een van de verkrachters, gespeeld door Peter Tuinman, loopt vervolgens op het uitgescheurde slachtoffer af en voegt hem toe dat hij het lekker heeft gevonden, geef maar toe. En dat blijkt ook zo te zijn: de jongen bekeert zich schoorvoetend en ligt een paar scènes later spinnend bij zijn verkrachter in bed. De gang bang is het verdiende loon en bewustwordingsproces ineen.

Lokte die omslag in 1980 protesten uit, voor een hedendaagse kijker is de logica van deze ontwikkeling gewoonweg niet te volgen. De boodschap moet goedbedoeld geweest zijn, maar met zulke goede bedoelingen heb je geen slechtheid meer nodig. Het komt erop neer dat homoseksuelen zich kunnen emanciperen door uit verkrachten te gaan. Dit speelt zich af in de vertrouwde wereld van Paul Verhoeven en zijn scenarioschrijver Gerard Soeteman, waar je moet penetreren om niet gepenetreerd te worden. Maar dat deze dramatische ontwikkeling toentertijd door ook maar iemand voor geloofwaardig gehouden kon worden, zegt voor alles veel over de tijd waarin Spetters gemaakt werd.

Hoe anders is het gesteld met Bram, het personage in All Stars dat zo krampachtig probeert het voetbalteam met zijn jeugdvrienden bijeen te houden. Net als in Spetters weet het publiek eerder van zijn geheim dan zijn vrienden. Maar de onthulling van zijn geaardheid gaat niet gepaard met agressie en geweld. Of liever, het dreigende geweld wordt absurd gemaakt. De vriend en teamgenoot op wie Bram al die jaren in het geheim verliefd geweest is, dreigt hem tijdens een wedstrijd in elkaar te slaan, omdat hij hem heeft zien zoenen met zijn vriendin (wat natuurlijk geen echte zoen geweest is). Als publiek weet je dat Bram zich kan redden door nu met de waarheid voor de dag te komen. Alleen voetballen ze die ochtend net tegen de gevreesde Poldervogels een stel reusachtige boerenkinkels met domme hoofden.

Die Poldervogels zijn een soort erfenis uit Spetters. Ze vertegenwoordigen de klasse die de helden van All Stars (en het publiek) ver achter zich gelaten heeft: agressieve provincialen, die op geen enkele manier een plaats meer hebben in de wereld van de helden. De agressie en het geweld dat in Spetters het gedrag van de hoofdpersonen grotendeels bepaalt, is in All Stars geïsoleerd. Het is tot iets ridicuuls gedegradeerd, iets waarmee niemand zich wil identificeren. Uiteindelijk slaan de Poldervogels dan ook niet Bram in elkaar, maar zijn wat dommige ploeggenoot die niets vermoedend het veld opkomt en net de verkeerde opmerking maakt. En van die knokpartij zie je niets.

Tussen Bram en zijn stille liefde komt het uiteindelijk allemaal goed. Ook de vriend die door de Poldervogels onder handen wordt genomen, wordt liefdevol verzorgd door de vrouw van wie hij een hele film lang vervreemd dreigde te raken. Alles komt goed in All Stars. Als iets All Stars opvallend maakt, is het het gemak waarmee iedereen zich met het leven verzoent. De verlangens van de amateurvoetballers voegen zich vanzelf naar wat het leven hen te bieden heeft - maar dat wordt niet als een nederlaag getoond. Het grote drama blijft uit, tegenslagen leiden niet tot tragedies. Het bestaan van de jongens kent veel rimpels, maar geen schokgolven.

Melodramatische wanhoop

Je kijkt er een beetje verbaasd naar, want die toon, liefdevol berustend, is nieuw, zeker vergeleken met de melodramatische wanhoop die Spetters van begin tot eind beheerst. De jongens in Spetters lopen stuk op het leven; alledrie worden ze tot op het bot vernederd. De grootste held, aankomend crosskampioen, raakt bij een ongeluk verlamd en wanneer zelfs de Heer geen uitkomst biedt (God en het gereformeerde geloof spelen nog een bepalende rol in deze film), rijdt hij zichzelf te pletter. Zijn vriend neemt zijn motoren over, maar wordt gebruikt als komisch nummer door de echte cross-kampioen Rutger Hauer en sportverslaggever Jeroen Krabbé, die hem en plein public voor schut zetten. De derde vriend wordt na de verkrachting nog eens flink in elkaar geschopt door zijn streng gelovige vader. Wat het drietal rest is de dood of aanpassing - veel verschillen die niet van elkaar.

In All Stars passen de personages zich noodgedwongen aan, maar daar schuilt hun overwinning juist in. Veelzeggend is hun overgave aan het geliefde voetbal: ze weten van tevoren dat ze nooit en te nimmer kampioen zullen worden, en toch voetballen ze. Wordt het leven in Spetters genadeloos en smakeloos voorgesteld, in All Stars wordt de gevoeligheid bezongen. Er is geen sprake van de wanhopige agressie van Verhoeven en Soeteman en ook niet van de ongeremde rancune die Flodder van Dick Maas, de sleutel tot de jaren tachtig, zo onverteerbaar maakt - met de boodschap: werk je eigen gevoel van onvermogen weg door je te verlustigen in de vernedering van mensen die hoger op de maatschappelijke ladder staan dan jijzelf.

Symbool van die gevoeligheid in All Stars wordt het personage Bram. Hij houdt niet alleen de voetbalploeg bijeen, maar ook de film zelf. Daarvoor moet hij wel zijn seksualiteit inleveren - nooit zie je hem iets met een jongen doen, hij zoent niet eens. Niet dat dat een probleem vormt, want samen met de agressie uit Spetters is ook de seksuele drift uit deze film verdwenen. Het enige personage dat zijn pik achterna loopt, wordt gewiekst getemd door zijn zwangere vriendin. En zo ontwikkelt zich de homoseksualiteit van Bram tot een algemeen symbool voor de verzwegen emoties die achter de bravoure van de kleedkamer schuilgaan, voor de onuitgesproken twijfels en verlangens die niemand openlijk durft te uiten.

Spetters laat zich nu bekijken als schematische en onbeholpen film, maar het existentiële melodrama dat erin wordt uitgespeeld, beweegt hemel en aarde; de personages worden gefnuikt in hun verlangen roem en rijkdom te winnen. In Flodder zijn die verlangens zuiver materialistisch geworden. De asociale white trash familie die in een bekakte villawijk wordt geplant, vormt de absurdistische uitlaatklep voor agressie jegens mensen die hun standing aan hun bezit ontlenen.

In All Stars is geen sprake meer van woede of rancune. De jongens komen uit verschillende lagen van de maatschappij, maar ze bewegen zich allemaal gestaag upwardly mobile. Net als hun cinematografische voorgangers zoeken ze een persoonlijke overwinning, ze streven naar de top. Alleen missen ze de oude verbetenheid. Waar zij op uit zijn - tederheid, genegenheid, vriendschap, liefde - zijn woorden die in de wereld van Spetters en Flodder niet bestaan, zelfs ondenkbaar zijn. Het is klein geluk dat hier bezongen wordt. Maar wat de film aardig maakt, is de ironie die deze lofzang voor een al te opzichtige gezapigheid behoedt. Je kunt gemakkelijk aantonen dat All Stars een burgelijke film is, geheel in de geest van een periode van consensus en restauratie. Nergens spreekt er idealisme of engagement uit, grote vragen worden geen moment gesteld. Maar vergeleken met Spetters (en zeker met Flodder) is er iets gewonnen. Of misschien moet je zeggen herwonnen. Onschuld, een ander woord is er niet. Een herkenbare Hollandse onschuld. Zoiets als in Fanfare.