Terugduwen

Toen de eekhoorn op bezoek was bij de bever en ze net een kopje thee dronken en spraken over de zomer en de geur van dennen, zei de bever opeens: “Vlug! Help eens even!” “Waarmee?” vroeg de eekhoorn verbaasd.

“Duwen! Hier!”

De bever duwde zo hard mogelijk tegen zijn voorhoofd.

“Daar zit mijn boosheid in,” zei hij. “Die wil er soms opeens zomaar uit.”

“Waarom?” vroeg de eekhoorn.

“Waarom? Zomaar, dat zeg ik toch! Duwen! Vlug!”

Ze duwden zo hard als ze konden en de bever viel achterover.

“Zo,” zei hij, terwijl hij opstond en wat stof van zijn armen sloeg. “Nu wil hij er niet meer uit. Wil jij nog een kopje thee, eekhoorn?”

“Ja graag,” zei de eekhoorn.

“Waar waren we gebleven?” vroeg de bever. “O ja, bij de zomer en de geur van dennen.”

“Ja,” zei de eekhoorn.

Ze spraken verder over de geur van dennen, het bijzondere van verjaardagen, het kabbelen van golven, het schitteren van de zon en het verschil tussen kwaken en brullen.

Opeens sprong de bever op.

“Te laat,” mompelde hij. Hij greep de eekhoorn beet en slingerde hem zijn deur uit.

“Weg jij! Ik wil je nooit meer zien!” riep hij. Hij was vuurrood geworden.

De eekhoorn kwam met een harde klap tegen de wilg terecht en bleef versuft liggen.

“Hij is al weer terug!” riep de bever even later. “Dat heb ik alleen gedaan! Wil je nog een kopje thee?”

De eekhoorn sloeg zijn ogen open, dacht even na en zei: “Een andere keer.”

“O, wat jammer,” zei de bever. “Het was net zo gezellig.” “Nou goed dan,” zei de eekhoorn.

Hij stond op en strompelde terug naar het huis van de bever.

De bever had al een nieuw kopje thee ingeschonken.

“Er is nog zoveel waar wij het over moeten hebben, eekhoorn,” zei hij.

“Zullen we niet eerst iets op je hoofd zetten?” vroeg de eekhoorn.

“Waarvoor?” vroeg de bever.

“Voor alle zekerheid,” zei de eekhoorn.

“Dat is goed,” zei de bever. Hij ging op de grond zitten en de eekhoorn zette een stoel en de tafel en de kast en het bed boven op het hoofd van de bever. Het was allemaal heel zwaar en de bever kon zich niet meer bewegen. Maar hij kon ook niet meer boos worden.

Af en toe kraakte zijn hoofd even en leek het alsof er iets naar buiten zou komen. Maar er kwam niets meer naar buiten. Dat was onmogelijk.

Ze hadden het weer over van alles en de eekhoorn schonk zichzelf nog een kopje thee in. De bever zei dat hij geen dorst meer had. Aan het eind van de middag ging de eekhoorn weer naar huis. “Dag bever,” zei hij.

“Dag eekhoorn,” zei de bever, terwijl hij vriendelijk probeerde te knikken. Maar knikken was ook onmogelijk geworden.

“Ik bedoel het goed,” zei hij.

“Ja,” zei de eekhoorn nog, terwijl hij het bos in liep.

“Ik bedoel alles goed!” riep de bever, met al zijn meubelen op zijn hoofd.

Maar de eekhoorn hoorde hem al niet meer.