Stil of stom

Bij de presentatie vorige week van Geoffrey Donaldsons naslagwerk Of Joy and Sorrow over de Nederlandse speelfilm tot 1930, deed de directeur van het Nederlands Filmmuseum, Hoos Blotkamp, een voorstel aan de aanwezigen, onder wie staatssecretaris Nuis (Cultuur). Of we voortaan allemaal, naar Belgisch voorbeeld, films zonder geluid zouden willen aanduiden als 'stille films'.

Die correcte vertaling van de Engelse term silent film zou de plaats in moeten nemen van het lang gangbare 'stomme films' (mute film) en het sinds een jaar of twintig veelgebruikte eufemisme 'zwijgende films'.

Het leuke van het voorstel is dat het het voorlopige resultaat lijkt te zijn van een emancipatiestrijd. Net als bij de discussies over de naamgeving van Amerikaanse negers, die zich van een stigma wilden bevrijden door zich aan het begin van de jaren zestig 'zwart' te noemen en zich nog twintig jaar later weer omdoopten in 'Afrikaans-Amerikanen', ligt de term 'stomme film' kennelijk gevoelig. Ook dovenorganisaties hebben een hekel aan het woord 'doofstom', omdat het verkeerde associaties oproept met de afgeleide negatieve betekenis van het woord 'stom'.

De magische bezwering van al dan niet vermeende discriminatie langs verbale weg kent ook bijna altijd het tussenstadium van de geuzennaam. Nikkers en flikkers mogen zichzelf zo noemen, anderen liever niet. Blotkamps voormalige adjunct-directeur Eric de Kuyper heeft me een jaar of tien geleden uitgelegd dat echte liefhebbers het woord 'stomme film' niet uit de weg gaan, in tegenstelling tot de gebruikers van het hypocriete 'zwijgende film'.

In stomme films wordt inderdaad niet gesproken. Maar zowel vroeger als nu worden ze wel muzikaal begeleid. Die films zijn dus eerder stom of zwijgend dan stil. Het voordeel van de term 'stille film' is het lekkere binnenrijm, dat ervoor zorgt dat ik er in een week tijd al bijna aan gewend ben. Ik zou nu technisch meer correcte alternatieven kunnen opperen als 'gebarenfilm' (problematisch voor de documentaires), 'geluidloze film' of 'niet-sprekende film' (helaas negatieve formuleringen) of zelfs het verwarrende, maar puriteinen bevredigende 'film' in tegenstelling tot 'geluidsfilm', maar ik vrees dat die kansloos zijn.

Het wordt dus een afvalrace tussen de drie bestaande termen. 'Zwijgende film' heeft me nooit bekoord, al was het maar omdat het een bewuste keuze van de maker lijkt te impliceren. Tegen 'stomme film' zie ik weinig bezwaren, maar rationele overwegingen plegen af te glijden op overgevoeligheid voor achterstelling. Ik buig dus het hoofd voor de roerende gedachte dat de stille film zich aan het bevrijden is van vooroordelen en het geuzenstadium met ingang van heden achter zich gelaten heeft.