Physical Evidence

Physical Evidence (Michael Crighton, VS 1989), Ned.1, 23.07-0.42u.

De naam van Michael Crichton (Chicago, 1942) prijkt al enige tijd op de lijst van rijkste en succesvolste Amerikanen in de entertainmentindustrie. De schrijver van ook als film lucratieve bestsellers als Jurassic Park, Disclosure en Rising Sun en het scenario van Twister is tevens de producent van de populaire ziekenhuistelevisieserie ER. Bovendien zou je de in de gevaren van de technologie gespecialiseerde Crichton met enig recht als profeet kunnen beschouwen; hij voorspelde ondermeer in een vroeg stadium de opmars van de draagbare telefoon, de aanwezigheid van DNA in fossielen, de onstuitbare terreur van pretparken, toenemend ressentiment tegen de Japanse zakenwereld en klachten over seksuele intimidatie door vrouwelijke chefs. Van de zes relatief onbekende films die Crichton zelf regisseerde (Westworld en Coma zijn de beste), is er maar een die hij niet zelf schreef: Physical Evidence (1989). Vannacht valt bij de NCRV te constateren waarom deze film in Nederland bioscoop noch videotheek haalde.

De belangrijkste bijdrage van Crichton aan deze in alle opzichten voorspelbare (rechtbank)thriller is waarschijnlijk de locatie. Crichton studeerde antropologie en medicijnen aan de Harvarduniversiteit en kent Boston dus op zijn duimpje. De bleke aanwezigheid van die toch zo fotogenieke stad valt mede te verklaren uit de beslissing van producent Martin Ransohoff om de feitelijke opnamen deels naar het goedkopere Canada te verplaatsen.

Een blaam die wel Crichton zelf treft is het houterige acteren van Burt Reynolds als van moord verdachte rechercheur en Theresa Russell als zijn aanvankelijk boven haar macht grijpende advocate. Mocht de regie hen al niet inspireren, de clichématige dialogen en het tegelijkertijd onwaarschijnlijke als fabrieksmatige scenario boden evenmin enig houvast.

Physical Evidence heeft hoogstens potentieel als cultfilm in het kader van een retrospectief op de slechtste films aller tijden. Wie eenmaal de slappe lach gekregen heeft bij de mislukte zelfmoord - met bonuslijk - in de titelscène, zal ook de jaloerse driftbuien van Russells echtgenoot (“Ben je in het huis van een moordenaar geweest?”) op hun juiste cultverdiensten kunnen schatten. De moraal luidt dat er ook voor regisseurs van monsterlijk slechte films altijd nog hoop is.