Overleg in Tweede Kamer; Kok hoopvol over verdrag in Amsterdam

DEN HAAG, 13 JUNI. Premier Kok heeft goede hoop dat de compromisvoorstellen die Nederland gisteren heeft gepubliceerd voor de hervorming van de Europese Unie, volgende week maandag en dinsdag op de EU-top in Amsterdam zullen worden aanvaard.

“Ik kan mij niet voorstellen dat we over een paar maanden over meer wijsheid en cohesie beschikken dan nu, er is een geweldig werkstuk geleverd”, zei hij gisteren in de Tweede Kamer.

Kok reageerde daarmee op kritiek van de VVD'er Weisglas en de CDA'er Van der Linden op het gisteren gepresenteerde Nederlandse ontwerp voor een nieuw EU-verdrag. Weisglas maakte bezwaar tegen wat hij zag als het opgeven van het vetorecht op het terrein van de buitenlandse politiek (GBVB). Ook waarschuwde hij dat er geen extra geld of bevoegdheden naar Brussel mogen gaan voor een Europees werkgelegenheidsbeleid. Of de VVD daarin aanleiding zou zien tegen een Verdrag van Amsterdam te stemmen, liet hij in het midden. Kok zei daarna gekscherend dat hij dus “met lood in de schoenen” naar de Amsterdamse top gaat.

Maar hij onderstreepte dat hij, net zo min als een brede meerderheid van de Kamer, wil laten tornen aan de hardheid van de toetredingscriteria voor de muntunie of de opzet van het zogeheten stabiliteitspact, dat duurzame begrotingsdiscipline van deelnemers aan de EMU moet garanderen. Kok: “De EMU is in haar kern zelf een werkgelegenheidsprogramma.” Van den Bos (D66) noemde het “jammer” dat de discussie over de muntunie en het stabiliteitspact de top lijkt te gaan beheersen.

Van der Linden noemde de voorstellen “mager” en vond bovendien dat zij op onderdelen geen vooruitgang brengen. Bijvoorbeeld bij de GBVB-besluitvorming, waar het Nederlandse voorstel op 'strategische consensus' op hoofdzaken mikt met een recht op 'constructieve onthouding' voor landen die niet aan uitvoering van EU-plannen willen meedoen omdat zij die aantoonbaar in strijd achten met hun nationaal belang. Doordat de Europese Raad (van regeringsleiders) voorzien is als de uiteindelijk, en dan weer unaniem, beslissende instantie over wat een vitaal nationaal belang is, ziet Van der Linden hier in feite geen verbetering ten opzichte van de bestaande vetorechtsituatie. Op een kritische vraag van zijn partijgenoot Van den Bos antwoordde minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) dat het toch wel eens voorkomt dat regeringsleiders uiteindelijk een ander standpunt kiezen dan hun ministers in de Algemene Raad deden. Daarop ontstond opnieuw enige lacherigheid toen Kok opmerkte: “Maar in Nederland gebeurt dat niet.”

Nu de Nederlandse voorstellen geen termijn meer noemen voor de integratie van de West-Europese Unie in de EU vroeg de GPV'er Van Middelkoop zich af of die integratie niet helemaal op losse schroeven is komen te staan. Van Mierlo zei hem dat het weglaten van enige fasering op zichzelf de kans op aanvaarding van het voorstel heeft vergroot en dat deze kwestie overigens “maar moet worden uitgeknokt op de top”. Hij voorzag voorts ook nog een taaie strijd over de besluitvorming inzake verschillende integratiesnelheden ('flexibiliteit') op het terrein van de interne markt van de Unie (haar 'eerste pijler'), die “niemand wil beschadigen”.

De PvdA'er Woltjer prees de regering omdat zij “de quadratuur van de cirkel” had gevonden met haar nieuwe verdeelsleutel voor het stemgewicht per land in de Europese ministerraad, waardoor Nederland bij verdubbeling van het aantal stemmen dankzij zijn bevolkingsomvang bovengemiddeld bedeeld is en van 5 naar 12 stemmen zou gaan.

Zelf is de Nederlandse regering erg tevreden over haar voorstellen voor de samenstelling van de Europese Commissie, waarin elk land een commissaris houdt en de vijf grote landen onder het (huidige) plafond van 20 leden straks een van hun twee commissarissen moeten afstaan aan nieuwe leden, in ruil voor meer invloed in de ministerraad . “Met deze voorstellen zijn we verder gekomen dan ik ooit had gedacht”, aldus Van Mierlo.