Ordelijk geëxplodeerde motoren; Charles Burki's tekeningen in de Kunsthal

Hij maakte reclame-illustraties voor kattenvoer en jassen, maar tekeningen van opengewerkte motoren waren de specialiteit van de Nederlandse tekenaar Charles Burki. De Kunsthal toont werk van de huisillustrator van Daf.

De wereld van Charles Burki. Uitvindingen en ontwerpen uit de toekomst van gisteren. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Van 7 juni t/m 31 augustus 1997. di. t/m zat 10-17 u. Zon en feestdagen 11-17 u.

Charles Burki. De kunst van het motorrijden. Door Vincent Denters. Bussum: Uitgeverij Thoth, 1997, f. 29.90. geïll. 95 pp. ISBN 90-6868-173-7

Zou er iets zijn dat Charles Burki niet getekend heeft? Drie jaar geleden overleed hij, en de drieëntachtig jaar daarvoor hadden in het teken gestaan van een beroep dat nu bijna is uitgestorven: dat van illustrator. Burki (1909-1994) tekende 2500 boekomslagen, talloze advertenties en omslagen voor allerlei tijdschriften, en technische tekeningen voor auto- en motorbladen. Maar ook voor pin-ups en soft-erotisch werk draaide hij zijn hand niet om, en als het zo uitkwam ontwierp hij een auto of een bromfiets. Daarvan is alleen een bromfiets werkelijk in productie genomen.

Een greep uit het werk van Burki is te zien in de Kunsthal. Tegelijkertijd verscheen een aardig boekje over Burki: Charles Burki, De kunst van het motorrijden, door Vincent Denters.

Het is een merkwaardige tentoonstelling, want zeker niet al het werk van Burki is de moeite van aandachtige beschouwing waard. Dat geldt bijvoorbeeld voor de fel-realistische boekomslagen die hij in de jaren zestig en zeventig voor de Nederlandse Boekenclub maakte. Op elke rommelmarkt worden ze nog in stapels aangeboden. Schrille kleuren, heftige emoties en veel wijd opengesperde schrikogen. Er hangen er heel wat in de Kunsthal.

Veel aardiger is eigenlijk Burki's eerdere werk, bijvoorbeeld zijn reclametekeningen. In een grafische, efficiënte stijl tekende hij voor bijna elke onderneming die in de jaren van de wederopbouw iets aan de Nederlanders wilde slijten: V&D, Shell, Philips, de KLM, de Holland Amerika Lijn, Elsevier. Het was de glorietijd van de reclametekening. Reclame op radio en televisie was er nog niet, adverteerders waren aangewezen op kranten, tijdschriften en affiches. Van fotografie bleef in de kranten en tijdschriften van die tijd heel weinig over. De grove rasters en het houthoudende papier brachten elk detail om zeep. Maar pentekeningen bleven ook in het goedkoopste drukwerk overeind en dat genre beheerste Burki tot in de perfectie. Het was betrekkelijk anoniem vakwerk: jassen, auto's, kattenvoer, vliegtuigen, olieblikken, pijprokende zakenmensen - Burki tekende alles voor zijn talrijke opdrachtgevers. Aardige tekeningen, maar niet heel bijzonder. Tijdgenoten als Eppo Doeve, Gerard van Straaten, Henk Sprenger, L. Hugo de Reede en vele anderen konden dat ook - en meestal net zo goed.

Zwart rubber

Maar Burki had een fort, een terrein waarop hij van werkelijk internationale klasse was en waar ook zijn werkelijke passie lag: auto- en motortechniek. Dat is al te zien in zijn tekeningen voor bandenfabriek Good Year, waarin hij geraffineerd gebruik maakte van de grafische mogelijkheden die het zwarte rubber bood, het is op te maken uit zijn tekeningen voor Shell, maar het is vooral te zien in de tekeningen die hij voor Daf en voor het weekblad Motor maakte. Burki was jarenlang huisillustrator van Daf. Hij tekende voor advertenties en catalogi alle vrachtwagens. In hyperrealistische gouaches, met zware lading en een opgewekte chauffeur aan het stuur, en in zwart-wit als losse autootjes voor het modellenoverzicht.

Burki's meest opzienbarende prestatie voor de vrachtwagenfabriek was een tiental tekeningen in kleur en op groot formaat van vrachtwagenmotoren. Het zijn zogeheten ghost-views, tekeningen waarop je dwars door de motor heen kunt kijken en die zo de werking en de geheimen van de krachtbron tonen. Een uiterst gecompliceerde opgaaf, want Burki werkte vanaf de technische ontwerptekeningen en aan de hand van een enkel los onderdeel. Opengezaagde modellen stonden hem niet ter beschikking, het tekenen - met pen, marterharen penseeltje en plakkaatverf - was een mentale reconstructie, een voortdurend gevecht met het perspectief en een duizeligmakende hoeveelheid assen, tandwielen en banjobouten. Tenminste een week was Burki met zo'n tekening bezig. Alles moest kloppen, 'een motor op papier moet kunnen draaien', zei Burki altijd. De toeschouwer van nu, gewend aan wollige computertekeningen, wordt het vreemd te moede: nog maar veertig jaar geleden ging het zo, en er is niemand meer die dit nog kan.

Een andere specialiteit van Burki was de exploded view, een tekening van een motorblok waarin alle onderdelen in de ruimte zweven - alsof de motor enkele milliseconden daarvoor op ordelijke wijze is geëxplodeerd. Terwijl de ghost view vooral bedoeld is voor het begrip van de werking, is de exploded view veel meer een handleiding voor montage en demontage. De goede exploded view toont daarom niet alleen de krukas, de drijfstang en de zuiger, maar ook, en in klare lijn, elk borgveertje, spietje en klemringetje. Voor de gevoelige natuur is het een genre met een eigen, autonome schoonheid. Bijna psychedelische droombeelden zijn het, afbeeldingen uit de motorhemel waarin vet, smeer en dolgedraaide bouten niet worden toegelaten en waar de motor in de eerste plaats als idee bestaat. Heel veel exploded views heeft Burki overigens niet gemaakt, de leidende fabrikanten van auto's en motorfietsen waren in het buitenland gevestigd en deden voor dit tijdrovende werk meestal een beroep op landgenoten. Met de enkele die hij wel maakte, bewees Burki dat hij niet onder hoefde te doen voor de beste tekenaars uit Engeland - de leidende natie op het gebied van de technische tekening.

Motorfietsarcadië

In Motor, een weekblad dat in de jaren vijftig en zestig geleid werd door de roemruchte Piet Nortier, werkte Burki aan weer een ander deel van zijn oeuvre. Het zijn schetsen en vignetten van door bochten razende en in de vrije natuur kamperende motorrijders. Scènes uit het motorfietsarcadië, waar rijplezier hand in hand gaat met bewondering voor de techniek. De gelaatstrekken van de berijder zijn met evenveel aandacht voor het detail getekend als de koelribben van de cilinder, en de plooien in de leren jas worden even nauwkeurig verbeeld als de constructie waarmee de bovenliggende nokkenas wordt aangedreven. Een uiterst kunstmatig en geïdealiseerd motorbeeld, maar daarmee trof Burki in de magere jaren vijftig en zestig bij veel motorliefhebbers een gevoelige snaar.

Over Burki's ontwerpcapaciteiten kunnen we kort zijn: een visionair was hij niet. Zijn schetsen voor druppelvormige auto's, gestroomlijnde bussen en tweezitsscooters ademen meer de geest van de jaren vijftig dan die van de toekomst. Onthullend is bijvoorbeeld zijn redesign van de Daf 600. Burki vond het strakke ontwerp van W.B. van den Brink maar niks, en tekende een zwierig karretje dat volgens hem net zo gemakkelijk te maken was, maar veel meer allure had. De tekening hangt op de tentoonstelling, en ernaast staat het Dafje zoals het geworden is. We mogen ons gelukkig prijzen dat Huub van Doorne voor Van den Brink koos, en Burki louter ghost views liet maken.

Toch is het pronkstuk van de tentoonstelling een voertuig naar ontwerp van Burki dat er wèl kwam: de Boomerang, een brommer die Union in 1961 op de markt bracht. In die tijd waren bromfietsen bezig een fantasiegenre te worden. Steeds zwaarder werden ze, met steeds grotere tanks, en voorzien van steeds meer decoratieve beplating. In die ontwikkeling was de Boomerang misschien wel het hoogtepunt. Het is een adembenemende symfonie van gewelfd staalplaat, met een benzinetank die de berijder in staat stelde non-stop heen en weer naar Parijs te rijden, en een kleurenschema van Italiaans technicolor. In het boek van Denters staat een foto van Burki op een van de eerste Boomerangs. Hij is dan al een jaar of vijftig, niet meer zo heel mager en heeft een dikke regenjas aan. Het sportstuur en de enorme benzinetank dwingen hem tot een ver voorover leunende houding. Echt trots kijkt hij niet, eerder een beetje ongemakkelijk.