Minister Waigel

Het gesprek met de Duitse minister van Financiën Theo Waigel (NRC HANDELSBLAD, 3 juni) kreeg een olijk literair-filosofisch staartje: “We moeten uit de faustiaanse opwinding van Goethe zien terug te keren naar de innerlijke kalmte van de filosoof Kant”.

Het noemen van Kant, terwijl en passant Gerrit Zalm de groeten krijgt, doet toch even de wenkbrauwen fronsen. Het was toch immers Kant die helemaal niet aardig over de Nederlanders sprak en hen als op eigenbelang gefixeerd volkje omschreef. Maar de verwijzing naar Goethe's 'Faust' is een schot in de roos. In het tweede deel van Faust zit de keizer van Duitsland diep in de problemen. De staatskas is namelijk leeg. Daar weet Mephistopheles, de duivel, wel raad op. Hij deelt de hofhouding mee: “'k Bezorg u wat ge wilt, en meer. Voorwaar, / 't Is licht genoeg, maar 't lichte valt hier zwaar. / Het is er al, doch om er bij te komen, / Dát is de kunst; durft iemand daarvan dromen?”

De duivel vindt het papiergeld uit en alle problemen van het Rijk zijn opgelost. Beter dan met de woorden van Mephisto had de geplande manoeuvre van minister Waigel niet getypeerd kunnen worden. Misschien moet de minister toch eerder in de buurt van Goethe blijven. Aan het slot van de tragedie heeft de duivel namelijk het nakijken. Hij krijgt de ziel van Faust niet: “Wie tot het eind volhardend streeft, / Hem kunnen wij bevrijden”.