Mensenrechten

De opinie van Van Middelkoop (22 mei) over onze wettelijke verplichting om “schendingen van rechten voortdurend aan de kaak te stellen” verdient bijval en op twee punten aanscherping.

1. De gedachte die zijn rechtmatige aansporing tot voortdurend aan de kaak stellen verzwakt, namelijk dat de universaliteit van de Rechten van de Mens bedreigd wordt door de grote schenders ervan, is gelukkig onjuist. Hun onwetend gebral kan de wereldwijde erkenning van de Universele Verklaring niet meer aantasten.

De mythe dat een strikte interpretatie van de mensenrechten een 'Westerse' interpretatie zou zijn, berust op een reeds lang courante geschiedvervalsing. De bindende Internationale Verdragen van 1966 zijn geen Westers dictaat geweest, opgelegd aan de rest van de wereld; integendeel. De ware toedracht was precies omgekeerd.

De verdragen waren in 1950 al zo goed als gereed, maar het zijn Westerse mogendheden geweest die in 1966 hun vertragingstechniek eindelijk hebben moeten opgeven onder zware pressie van onder andere Nigeria en Marokko.

2. Een tweede onnodige verzwakking van de behartigenswaardige oproep van Van Middelkoop voor een onverkort opkomen voor de fundamentele rechten heeft hij in zijn betoog ingebouwd door de betreurenswaardige 'faux pas' van Buitenlandse Zaken in 1948, namelijk het voorstel om de woorden 'based in man's divine origin and immortal destiny' in de Universele Verklaring op te nemen, te eren als 'behorend tot de politieke adeldomspapieren van het ministerie van Buitenlandse Zaken'.

Als zoiets destijds in de tekst was opgenomen, was er misschien wel een Verklaring gekomen maar nooit een Universele Verklaring.