Hubert Damisch toont oude en moderne kunst op een schaakbord in Boijmans Van Beuningen; 'Musea moeten spelen met hun collecties'

De Fransman Hubert Damisch stelde voor Museum Boijmans Van Beuningen een expositie samen met oude en moderne kunst. “Musea zouden hun collecties moeten veranderen om de mensen over te halen ernaar te kijken”, vindt hij.

Hubert Damisch: MOVES - Schaken en kaarten met het museum. In Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. T/m 17 aug. Geopend di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

ROTTERDAM, 13 JUNI. Blij als een kind struint de Fransman Hubert Damisch door de tentoonstelling die hij aan het inrichten is in Museum Boijmans. MOVES - Schaken en kaarten met het museum noemt hij zijn expositie. Zijn 'kaartspel', een onderdeel van MOVES, omvat reeksen van tekeningen, waaronder een serie op rond formaat van bijvoorbeeld Cézanne en Hendrick Goltzius, een reeks liggende figuren van onder anderen Tintoretto en Govert Flinck, en landschappen van ondermeer Fra Bartolommeo, Breughel en Seurat. Damisch bekijkt de laatste reeks. “Mag ik nog een tekening?”, vraagt hij aan de conservator van Boijmans. “Natuurlijk, neem er maar een van de stapel', antwoordt zij. Damisch: “Ziet u hoe eenvoudig het is? Ik speel kaart met tekeningen!”

MOVES is de vijfde tentoonstelling in een reeks exposities gemaakt door gastconservatoren op basis van de collecties van het museum. Harald Szeeman, Peter Greenaway, Robert Wilson en Hans Haacke gingen Damisch voor. De filosoof en kunsttheoreticus Damisch (1928) is hoogleraar geschiedenis en kunsttheorie van de Ecole des hautes études en sciences sociales in Parijs. Van hem verschenen ondermeer de boeken Théorie du /nuage/ (1972), over de betekenissen van wolken op schilderijen, L'Origine de la perspective (1987), over het ontstaan van het perspectief, en Le jugement de Paris (1992), over de samenhang tussen smaakoordeel en seksualiteit.

Het hoofdgedeelte van de expositie is door Damisch opgezet als een schaakspel. De vloer is bedekt met zwarte en witte vlakken, en op deze vlakken plaatste hij als pionnen de door hem gekozen kunstwerken. Moderne kunst op de witte, oude kunst op de zwarte vlakken. Omdat twee rijen van het schaakbord ontbreken door ruimtegebrek voegde Damisch aan de kopse kant van de zaal een paar vlakken toe waarop de koning en koningin staan: een Burger van Calais van Rodin, en de met touwen omwikkelde Venus van Man Ray. De nadruk van het geheel ligt verder op de schilderkunst. Centraal staat het schilderij van Jan van Eyck van de drie Maria's bij het graf van Jezus. Damisch: “Het graf is leeg. Je vraagt je af 'wat is hiervan de betekenis: leeg?'. In het centrum van de expositie is dus de leegte - het is een beetje om het publiek te irriteren.”

Het schaakbord verwijst met zijn ordening van horizontalen en verticalen naar de geschiedenis van het raster in de schilderkunst, van de vroeg 16de eeuw tot heden. In de renaissance diende het raster als hulpmiddel om perspectief te realiseren. In de 17de-eeuwse Hollandse interieurtaferelen had de zwart-wit geblokte vloer een zelfde functie. In de 20ste eeuw ontdekten de schilders het raster juist als methode om een vlak, anti-illusionistisch schilderij te creëren. Daarom is ook Mondriaan aanwezig met een vlakkenschilderij, als 'embleem van de moderne kunst', aldus Damisch. Werken van Saenredam, Dali, Sol LeWitt, Dibbets, Marien Schouten: overal komt het raster terug. Maar het schaakspel heeft nog een andere betekenis. Het is in het denken van Damisch een metafoor voor de manier waarop de kunst zich ontwikkelt. Wie aan zet is moet zich verhouden tot het eraan voorafgaande, hij maakt deel uit van de ontwikkeling van het spel tot op dat moment, waarbij het spel voor de schilder de kunstgeschiedenis is.

Damisch beschouwt schilderen als een actieve manier van denken over de werkelijkheid, en een manier van betekenis geven aan de wereld.

Het kaartspel-onderdeel omvat zoals gezegd series van tekeningen. Damisch wil hiermee zeggen dat de museumcollectie net als een kaartspel uit reeksen bestaat, die in wisselende configuties worden geordend en getoond. Tegelijkertijd heeft dit gedeelte van de expositie de problematiek van het hedendaagse museum als onderwerp. Hier zijn, naast oude tekeningen, de ontwerptekeningen te zien van A. van der Steur voor het oude Museum Boijmans uit de jaren dertig en de ontwerptekeningen van Bodon voor de aanbouw uit de jaren zeventig. Ook worden de ontwerpschetsen voor de geplande nieuwbouw door de architecten Paul Robbrecht en Hilde Daem hier voor het eerst gepresenteerd.

Volgens Damisch is het hoog tijd dat er een nieuw type museum wordt ontwikkeld. “Overal in de wereld is het een groot probleem: mensen bezichtigen tentoonstellingen, maar niet de collecties van de musea. Musea zouden hun collecties moeten veranderen, er mee spelen, om de mensen over te halen ernaar te kijken. Museum Boijmans is prachtig: er zijn maar heel weinig musea die zowel oude als nieuwe kunst collectioneren. In de 20ste eeuw zijn de musea steeds meer op elkaar gaan lijken, iedereen verzamelt hetzelfde. In Frankrijk is de situatie ronduit karikaturaal. Museum Boijmans is vrijwel uniek. Daarom zou het ook een regelrechte ramp zijn indien er, vanwege het huidige ruimtegebrek, voor gekozen zou worden om een deel van de collectie elders in de stad onder te brengen. Het museum moet uitgebreid worden, zodat de collectie als één geheel bij elkaar blijft.”

“In een goed museum zou het zo moeten zijn dat je niet naar oude kunst kan kijken zonder éérst de afdeling moderne kunst te bekijken. Mensen die van moderne kunst houden, houden gemakkelijk van oude kunst. Maar andersom is dat niet zo. Daarom is het goed om de kunst te onderwijzen vanuit het heden, en niet vanuit het verleden naar het heden, zoals nog steeds altijd gebeurt.”

Het schaakspel, het gelijktijdig tonen van oud en modern, is een manier om aan de 'dodelijk saaie' chronologie van de kunstgeschiedenis te ontsnappen. Het is niet eenvoudig om dit officiële verhaal te doorbreken. Marcel Duchamp heeft met zijn ready mades laten zien dat het onmogelijk is om de officiële cultuur te opponeren; want eenmaal in het museum geplaatst werden pisbak en flessenrek onmiddellijk tot gecanoniseerde kunstwerken. Damisch: “Daarom moeten de musea nu zélf het initiatief nemen en de kunst bevrijden uit haar keurslijf. Kunstenaars en critici kunnen dat niet doen. Alleen de musea kunnen het.”

Hoe kan het dat Damisch van Duchamp houdt én van de schilderkunst? Duchamp, die het kunstenaarsschap inruilde voor het schaakspel, heeft met zijn anti-kunst houding toch een zeer ondermijnende invloed gehad op de schilderkunst. En hij heeft dat nog steeds. Zijn stem dalend tot fluistertoon antwoordt Damisch: “Ik hou niet van Duchamp. Hij was heel belangrijk in de jaren '70 en '80. Maar nu is het voorbij. Ik bestrijd Duchamp. Maar het is beter dit niet hardop te zeggen; jonge mensen zijn nog steeds in hem geïnteresseerd. Dat mensen momenteel zoveel problemen hebben met schilderen, dat iedereen denkt dat het voorbij is met de schilderkunst en dat alles nu draait om film en video: het komt allemaal door Duchamp. Daarom heb ik ook geen video in mijn expositie. Er gebeuren weliswaar interessante dingen in video, maar schilderkunst, dat is waar het uiteindelijk allemaal om draait.”