Het sociale model

EUROPA WERKT NIET. Achttien miljoen werklozen, recordpercentages van werkloosheid in Duitsland, Frankrijk en Spanje, demonstraties voor werk, protesten tegen ontslagen, politieke verschuivingen ten gunste van partijen die de sociale crisis met overheidsingrijpen beloven op te lossen.

Wanhopig zoekt Europa naar een uitweg voor het werkloosheidsvraagstuk. De komende Europese top in Amsterdam staat niet langer in het teken van institutionele discussies. Plotseling gaat alle aandacht naar de werkloosheid die Europa geselt en moet een werkgelegenheidshoofdstuk de Europese burgers geruststellen dat het niet alleen om kille monetaire stabiliteit, maar ook om sociale warmte gaat in de Europese Unie.

Veel critici zoeken de oorzaak van de werkloosheid in de deflatie die het gevolg zou zijn van de Economische en Monetaire Unie, de EMU van één munt. Overheden nemen amechtig bezuinigingsmaatregelen om te voldoen aan de toelatingscriteria voor de EMU en aangezien alle landen hieraan tegelijk proberen te voldoen, veroorzaakt dat een spiraal van bezuinigingen, economische stagnatie en werkloosheid. Deze redenering is even simplistisch als onjuist.

HOEWEL OOK de overtuigde voorstanders van de EMU niet ontkennen dat er op korte termijn een verband bestaat tussen ombuigingen en werkloosheid, is dit niet de essentie. De werkloosheid in Europa is al sinds de jaren zeventig een oplopend probleem, ook toen nog lang geen sprake was van een monetaire unie. Anderzijds gaat van lage overheidstekorten, een lage rente en monetaire stabiliteit een vertrouwensimpuls uit die investeringen, groei en werk bevorderen.

De kenmerken van het Europese werkloosheidsvraagstuk zijn bekend. Jongeren, laag opgeleiden, al dan niet legaal aanwezige migranten en langdurig werklozen hebben de minste kans om een reguliere baan te vinden. De onderkant van de samenleving wordt opgeofferd om de banen van de werkenden te beschermen. Tegelijkertijd wordt de arme kant geen ander perspectief geboden dan afbrokkelende uitkeringen.

Over een periode van vijfentwintig jaar heeft de marktsector in Europa netto geen nieuw werk geschapen. Voorzover er sprake is van nieuwe banen zijn die in de publieke sector ontstaan. Het contrast met de Verenigde Staten is reusachtig: daar is het aantal banen in de particuliere sector sinds het begin van de eerste oliecrisis met veertig procent toegenomen. Waar in Europa het besteedbare inkomen toenam, steeg in de Verenigde Staten het aantal mensen aan het werk. En niet alleen in hamburger-jobs.

De gunstige uitzonderingen in Europa zijn Groot-Brittannië, dat in de Thatcher-jaren hardhandig heeft afgerekend met de vakbondsmacht, Ierland, dat profiteert van de combinatie van relatief lage lonen en geslaagde Europese steun, en Nederland, dat met loonmatiging en herziening van de institutionele arrangementen van de verzorgingsstaat een midden tussen het versteende Rijnlandse en het Angelsaksische marktmodel heeft gevonden. Hoewel de inactiviteit in Nederland nog altijd hoog is, zijn er tekenen van schaarste op de arbeidsmarkt. Nederland kent geen jeugdwerkloosheid meer, terwijl deeltijdbanen vooral vrouwen aan extra inkomen helpen en Melkertbanen de impliciete erkenning zijn dat laaggeschoolden bij de huidige marktlonen slechts gesubsidieerd in de publieke sector aan het werk komen.

DE STRUCTURELE oorzaken van de Europese werkgelegenheidscrisis moeten worden gezocht in de hoge bruto arbeidskosten, die rechtstreeks verband houden met de kosten van de sociale zekerheid, de arrangementen voor pensioen, ontslag, ziekte, arbeidsongeschiktheid, deeltijd, vakantiedagen en andere verworvenheden van de verzorgingsstaat. Het gaat om de kern van het Europese sociale model - en dat verklaart waarom het zo buitengewoon lastig is om veranderingen aan te brengen. Aanpassingen heten al snel aantasting van verworven rechten en politici deinzen terug als de protesterende burgers de straat op gaan. Dan trekken bedrijven over de grenzen.

In het kader van de EMU was het uitgangspunt dat monetaire discipline vergezeld zou dienen te gaan van begrotingsdiscipline en van versoepeling van de arbeidsmarkten. Een harde munt zou beide afdwingen, maar van deze gedachte is weinig meer over. Zelfs Duitsland slaagt er niet in om aan de begrotingsnorm voor de EMU te voldoen en de bakermat van de Europese verzorgingsstaat heeft de grootste moeite om politieke overeenstemming te bereiken over aanpassingen. In Frankrijk hebben de kiezers de wankelmoedige markthervormers naar huis gestuurd en vervangen door een socialistische regering die met afgrijzen kennis neemt van de oproepen van de Britse socialist Tony Blair tot flexibilisering van de arbeidsmarkten. In Frankrijk is de verbeelding weer aan de macht, met banenplannen, korter werken met behoud van loon, vervroegde uittreding, begrotingstekorten, overheidsinterventie en staatsbedrijven als de gestaalde recepten tegen de werkloosheid.

DEZE OPLOSSINGEN zullen niet werken. Ook niet als ze tot Europees beleid worden verklaard of als, op aandrang van de nieuwe Franse regering, afspraken over coördinatie van het economische beleid en criteria over werkgelegenheid in het Stabiliteitspact voor begrotingsdiscipline worden opgenomen. Zelfs een hoofdstuk over werkgelegenheid in het komende Verdrag van Amsterdam, hoe goed ook voor de public relations van het gehavende sociale gezicht van Europa, zal in de praktijk weinig meer uithalen dan de uitwisseling van ervaringen zodat landen van elkaars succes en mislukkingen kunnen leren. De specifieke omstandigheden verschillen van land tot land te zeer om met een gemeenschappelijke Europese aanpak te komen. De lidstaten willen trouwens hun soevereiniteit op sociaal-economisch terrein helemaal niet inleveren.

Werkgelegenheid komt niet uit de ideologisch en financieel failliete koker van de centrale planeconomie. Als Europa meer banen wil scheppen, zal het de regelingen van de arbeidsmarkt en de wetten van de sociale arrangementen moeten aanpassen. Dat betekent niet het einde van de Europese verzorgingsstaat of van de samenwerking tussen arbeid, kapitaal en overheid in de overlegeconomieën. Maar wel de bereidheid tot politieke moed om, in plaats van voor behoudzucht te kiezen voor vernieuwing van het sociale model.