Gierende romantiek, ijzige winden, honden huilen en een kleppend klokje klinkt in de verte; Alles is dood en pathetiek in 'opera van opera's'

Voorstelling: Aus Deutschland van Mauricio Kagel door het Schönberg Ensemble en Ned. Kamerkoor o.l.v. Reinbert de Leeuw m.m.v. o.a. Desiree Meiser, Marie Angel, Christoph Homberger en Kai Wessel. Decor, kostuums en regie: Herbert Wernicke. Gezien: 12/6 Carré Amsterdam. Herhalingen: 13, 14/6. Televisie: 30/6 NPS Ned. 3.

Het Koninklijk Theater Carré ligt vol vleugels. Niet alleen op het podium, maar ook in de zaal liggen ze opgestapeld, tot over het bovenste balkon. Het is alsof de Hamburgse firma Steinway is gefailleerd en de enorme overtollige voorraad hier is gedumpt. De majestueuze concertvleugels en piano's, dé instrumenten van de 19de eeuw, liggen hier nutteloos vernederd en afgedankt op een stortplaats. De glorie van het 'Made in Germany' is verbleekt in dit desolate decor van regisseur Herbert Wernicke voor Mauricio Kagels 'liederenopera' Aus Deutschland.

Op deze ruïnes van de 19de eeuwse Hoge Kunst, dwaalt 'der Leiermann', het treurige personage uit het laatste lied van Schuberts 24-delige liederencyclus Winterreise, het toppunt van eenzaamheid. De lierenman staat blootsvoets op het ijs. Het sneeuwt. Een stem reciteert flarden van de tekst: 'Drüben hinterm Dorfe steht ein Leiermann, und mit starren Finger (-) Wunderlicher Alter, willst du zu meinen Lieder deine Leier ...'

De tekst verstart nog voor het lied met het woord 'dreh'n' ten einde komt. De hele voorstelling Aus Deutschland speelt zich als het ware af in die laatste, onafgemaakte zin van Schuberts lierenmannenlied. Het is koud, overal heerst de kilte van de dood, ijzige winden steken op. Honden huilen, spoken, geesten en dwaallichten waren rond. Een kleppend klokje klinkt in de verte.

Gierende romantiek! De zwarte glimmende vleugels zijn doodskisten voor de kunst, voor de kunstenaars en voor de gewone andere mensen. Zoals Heines Die beide Grenadiere, die, gehuld in een gehavende tricolore en zingend over hun keizer Napoleon, gewond terugkeren van het slagveld.

Aus Deutschland is een 'liederenopera' zonder verhaal. Franz Liszt betitelde de liederen van Schubert als 'miniatuuropera's' en zó beschouwd is deze 'liederenopera' een 'opera van opera's' - miniatuuropera's uit de 19de eeuw, de eeuw waarin de kunstvorm opera voor het eerst werd beheerst door de dood.

In Aus Deutschland vat Kagel met de complexe opeenstapeling van verwijzingen de hele 19de eeuw samen: Schubert, Goethe, Heine, Hölderlin, oorlog, liefde, romantiek, literatuur, filosofie, techniek. De enscenering verwijst naar nog veel meer, zoals de beeldende kunst (vooral Caspar David Friedrich) en symboliek: de doodskop, de raaf, de zandloper.

Aus Deutschland loopt als vanzelfsprekend over in onze eeuw, zoals het decor ook vanaf het podium zich voortzet in de vele klavieren van het orkest, terwijl het koor de eerste rijen van het publiek vormt. Alles is dubbelzinnig, personages hebben meervoudige dubbelrollen. Schubert transformeert tot de 'zwarte' blanke zanger Al Jolson, optredend in een nachtclub, een verwijzing naar de 'entartete Kunst'. Gedichten van Hölderlin worden begeleid door tv-beelden van een treinreis door Duitsland.

De enscenering van Wernicke bestaat uit vijfentwintig bewegende 'tableaux vivants'. Ze gaan allemaal over de dood, over het wegwerpen van het leven, over de teloorgang van de kunst. Schubert verscheurt een partituur, een deel van zijn levenswerk, van zichzelf: 'Vergiftet sind meine Lieder'. Hij gooit de snippers in de lucht en ze dalen neer als vlokken sneeuw. Kunst als kilte - de kunstenaar buitengesloten in de kou - het is het thema van de 19de eeuwse bohème, ook bij Puccini.

Wernicke verbeeldt hier de apocalyps van de 19de eeuwse kunst, van de romantiek, van het bijgeloof, van brandend verlangen naar liefde, natuur en dood. Het onbeheersbare noodlot fascineert, zoals in Hölderlins Schicksalslied: 'Die leidende Menschen, blindlings von einer Stunde zur andern. Wie Wasser von Klippe zu Klippe geworfen.'. Terwijl Schubert componeert posteert een liedzanger zich in de bocht van de vleugel en bevindt zich dan boven een peilloze afgrond.

Aus Deutschland staat vooral voor de dood. Doodsangst leeft in de scène 'Der Tod und das Mädchen', waarin het meisje zich vergeefs verzet tegen de dood. Hun 'dansje' lijkt op de alsmaar herhaalde scène in het dansstuk Café Müller van Pina Bausch, die haar letterlijk naar de hemel doet opstijgen. Verder heerst uitsluitend doodsdrift. De jongeling smeekt om de dood: 'O komme Tod'. Ook Mignon schiet zich hopeloos dood. De rattenvanger delft het onderspit tegen de ratten. En Gretchen? In een van de aansprekendste scènes zit Goethe eerst zelf 'am Spinnrade'. Dan wordt hij zijn eigen Faust en overweldigt 'de dichteres', die roept 'Komm, beglücke mich.'

Deze uitvoering nu - in dit Schubertjaar en in dit fin-de-siècle, is als geheel aangrijpend en onvergetelijk, veel te omvangrijk om te beschrijven: men kijke naar de tv-uitzending op 30 juni. De ideeën en de muziek van Kagel - beide een mix van flarden en citaten, vooral stijlcitaten - worden door Wernicke verbeeld op een manier die niet alleen illustreert, maar de toeschouwer aanzet tot persoonlijke associaties.

Typerend voor Wernicke is de opwaardering van de dubbelrol van Sprecherin en Kammersängerin. Net als in zijn Brusselse enscenering van Der Ring des Nibelungen, waarin hij Brünnhildes paard Grane een mimische hoofdrol gaf, krijgt Desiree Meiser (Wernickes echtgenote) hier een centrale rol, zorgzaam, helpend, ingrijpend, commentariërend.

De enscenenering valt op vrijwel ideale wijze samen met de - op enkele details na - goed gelukte en uiterst gecompliceerde muzikale vertolking onder leiding van Reinbert de Leeuw, die het stuk in Carré in 1985 ook al eens concertant uitvoerde. Prachtige rollen zijn er van onder anderen Desiree Meiser, Kai Wessel (Mignon) en Christoph Homberger (Schubert). Na afloop betuigden Kagel, Wernicke en De Leeuw elkaar hun wederzijds enthousiasme.

Wat de voorstelling vooral kenmerkt is de milde ironie, die alwetende begripsvolle compassie die Kagel en Wernicke hier tonen. Het slot is als het eind van een Fellini-film zoals Casanova - nostalgisch verstild, alles is voorbij, maar herinneringen blijven, diep vervoerend. Het slotbeeld is een reconstructie van een silhouet van de 19de eeuwse Wener Otto Böhler. De grote componisten zijn allen dood, boven hun hoofden zweven musicerende engeltjes en ze bewijzen eer aan de componerende Schubert. De Sprecherin somt liedtitels op: Willkommen und Abschied von der Erde (-), Eine Leichenfantasie (-), Gefrorene Tränen.

Aus Deutschland is een droom, een nachtmerrie én een requiem, voor Schubert en het lied, voor de romantiek, voor alle pathetiek in leven en verlangen.