Genomineerden voor de Gouden Strop; Van lustmoord en kruimelkwaad

René Appel: Geweten. Bert Bakker, 302 blz. ƒ 34,90 Conny Braam: Zwavel. Meulenhoff, 288 blz. ƒ 39,90 Bob Mendes: De kracht van vuur. Meulenhoff/Manteau, 430 blz. ƒ 39,90 Paul Stather: De Bank. Conserve, 346 blz. ƒ 39,95 Peter de Zwaan: Een keel van glas. Het Spectrum, 259 blz. ƒ 29,90

In Zuid-Afrika slaat een neo-nazi het hoofd af van een zwarte verzetsstrijder en laat zich vervolgens lachend fotograferen, de opengespleten schedel tussen zijn voeten. In Iran schiet een kanselier van de Sjah vanachter zijn bureau een kogel door het hoofd van een afvallige luitenant, en laat hem doodbloeden op de grond tussen de kalfsleren armstoelen. In Gadsden, Alabama, worden weeskinderen gedwongen in snuff-movies te spelen, overlevenden worden slachtoffer van orgaanhandel. En in Nederland duwt een puber een kompaan over de rand van een vuurtoren, terwijl een kleine sjacheraar overspelige huisvrouwen afperst met obscene telefoontjes.

Het kwaad komt tot ons in vele gedaanten. Wie de vijf boeken leest die dit jaar genomineerd zijn voor de Gouden Strop, de prijs voor de beste Nederlandse thriller die op 18 juni wordt uitgereikt, blijft aangedaan achter. Mensen bedriegen elkaar, er wordt verraad gepleegd, gemoord, verkracht. Het antwoord op de vraag waar al dat geweld vandaan komt, is kort. De Gouden Strop-auteurs baseren zich op de werkelijkheid. Je hoeft maar om je heen te kijken, en dat hebben de auteurs dan ook gedaan.

Het kwaad kent niet alleen vele gedaanten, het is overal. Slechts twee van de vijf boeken spelen zich af in Nederland. Peter de Zwaan schreef Een keel van glas weliswaar in de Amerikaanse hard-boiled-traditie, personages en setting van het boek zijn onmiskenbaar Nederlands. Toch zou je De Zwaans louche sjoemelaar in elke stad ter wereld tegen kunnen komen.

Het is niet voor niets dat de locaties in Een keel van glas zo nadrukkelijk onbestemd blijven. Het leven van hoofdpersoon Marc Johansz, afperser van bejaarden en koerier van geldtransporten met bedenkelijke bestemming, speelt zich af in de nieuwbouwwijk, de bejaardenflat, het bordeel, het fastfood-restaurant. De afwezigheid van een nadere omschrijving van al die oorden maakt ze des te kleurlozer. En dat is precies de bedoeling van De Zwaan, want waar de franje ophoudt begint bij hem de humor. Zijn boek is het enige van de vijf waarin iets te lachen valt. Er schuilt iets tragi-komisch in de figuur van Johansz, die maar een beetje aanrotzooit maar die wel netjes zijn boekenkast afstoft, ook bovenop. Hij is iemand die duizend bloemen in een tuin ziet en opmerkt 'ik ken er geen een'. Tot overmaat van ramp wordt er keelkanker bij hem geconstateerd; elk hoofdstuk opent met een zakelijk verslag van de behandeling die hij moet ondergaan, en die zijn keel doet branden alsof hij glas heeft ingeslikt.

Johansz wil niet deugen maar door en door slecht is hij niet. Bij De Zwaan gaat het niet om erge wreedheid, maar om het kruimelkwaad. Gaandeweg wint Johansz aan sympathie. De zwakte van Een keel van glas zit hem in de plot. De hoofdpersoon mag dan een Amerikaans hard-boiled karakter zijn, bij de Nederlandse De Zwaan is hij meer een zacht eitje en de dingen die hem overkomen zijn te niemendallerig. De ontknoping verloopt in bijna even ontspannen sferen als de rest van het boek en komt niet onverwachts genoeg, wat maakt dat Een keel van glas een wat lauwe smaak achterlaat.

Net als Een keel van glas wordt ook Geweten van René Appel, die in 1991 de Gouden Strop won, niet zo sterk gestuurd door de plot. Hier is dat geen onmacht maar keuze. In Geweten schetst Appel het benauwende naoorlogse Nederland, waarvan de sfeer allerminst bevrijd aandoet, en waar zich gruwelen afspelen die van alle tijden zijn. Geweten drijft op de psychologische ontwikkeling die de personages doormaken: het boek wordt nadrukkelijk gepresenteerd als een literaire misdaadroman. De psychologische uitwerking van het belangrijkste personage, een man die op zoek gaat naar de waarheid achter de dodelijke ongevallen die plaatsvonden in zijn oorlogsjeugd, moet het boek een meerwaarde geven. Maar de zakelijke stijl waarin het is geschreven, is niet bijzonder, en zeker niet bijzonder literair.

Het omgekeerde geldt voor nummer drie op de lijst, Zwavel. Dit debuut van Conny Braam is juist in de eerste plaats een roman. Op de flaptekst is wel sprake van een 'spannende ontknoping' maar het woord thriller komt er niet in voor. Het boek van Braam hoort dan ook eigenlijk niet thuis in het rijtje Gouden Strop-genomineerden, voor Nederlandse literatuur zijn genoeg prijzen beschikbaar. De jury denkt daar anders over: de winnaars van 1994 en '95 waren respectievelijk Maarten 't Hart, voor Het woeden der gehele wereld en Tim Krabbé, voor Vergelding. Spannend is Zwavel wel, goed geschreven ook. Maar de plot hangt net iets te veel van toevalligheden aan elkaar om als thriller te overtuigen.

De kracht van vuur van Bob Mendes is het dikste en breedst opgezette boek van de vijf. Zakelijk geschreven, plot-driven en avontuurlijk als een Indiana Jones-film. Bij Mendes is Indiana Jones een joodse vrouw die met mannelijke daadkracht en moed vecht voor haar vrijheid en die van haar volk. Het is 1953, in Perzië worden joden vervolgd en bovendien gist het in Teheran. Een revolterende meute, opgehitst door radicale moslims, wil het pro-westerse regime omverwerpen en Sharon Stren besluit te vluchten. De persoonlijke geschiedenis van Stern en Darius Razdi, kanselier van de Sjah, een van de machtigste mannen van het land die een zoon verwekt bij Sharon, vormen de achtergrond waartegen Mendes een caleidoscopisch beeld schetst van de ineenstorting van het Perzische Rijk. In De kracht van vuur mondt godsdienst uit in waanzin en Mendes gebruikt de figuur van Razdi om de psychologische mechanismen bloot te leggen die aan die waanzin ten grondslag liggen.

Na de lawine van avontuur doet Mendes er in de ontknoping een schepje te veel bovenop, in apocalyptische taferelen en bombastische taal. Afgezien daarvan is De kracht van vuur geslaagd in zijn ambitieuze opzet. Met grote kennis van zaken schreef Mendes een boek van internationale allure, dat dankzij de goed uitgewerkte karakters niet ten onder gaat aan de verpletterende hoeveelheid details.

Haast alle in het genre denkbare stijlen zijn in de Gouden Strop-boeken vertegenwoordigd: die van de hard-boiled thriller, de psychologische thriller en de faction-thriller. De bank van Paul Stather, een thrillerauteur die debuteerde met De man die Marilyn Monroe was, valt uit de toon. Het klassiek opgebouwde verhaal is een eigenaardige mengvorm van psychologische spanning, en hard-core horror. De beschreven gebeurtenissen overschrijden de grens van het absurde, maar de psychologische observaties zijn vaak realistisch. Zoals de opmerking over hoofdpersoon John Avati, wiens 'weke onderlip het uithangbord is van zijn karakter'. Die opmerking intrigeert, want Stather (pseudoniem van de hoogleraar literatuursociologie Hugo Verdaasdonk) introduceert met Avati een onbetrouwbare verteller, van wie pas op de laatste bladzijden duidelijk wordt welke rol hij heeft gespeeld.

De jonge, pas afgestudeerde Avati is werkzaam bij Fargo, een grote bank in New York City. De afdeling waar hij werkt, adopteert een weeshuis voor Braziliaanse straatkinderen. Dat blijkt een dekmantel voor duivelse prakijken, waarbij de kinderen als slaven worden uitgebuit, geprostitueerd en gedwongen te spelen in snuff-movies, waarin plaatselijke notabelen, die wel zin hebben in een verzetje, voor veel geld waargebeurde moordzaken nadoen. Overlevenden doen terug in het weeshuis verplicht mee aan de Welkom-thuis Quiz. De verliezer wordt alsnog vermoord en zijn organen voor duur geld verkocht aan het plaatselijke ziekenhuis.

De verteller lijkt geen deel lijkt te hebben aan de gebeurtenissen die eerst nog neutraal zijn, maar gaandeweg angstwekkender worden, tot het bloed ten slotte tegen de muren spuit in groteske geweldscènes die uit een Tarantino-film lijken te komen. De rol van de neutrale buitenstaander wordt door Stather tot het absurde uitgerekt, wanneer Avati bij dat alles geen enkele emotie toont. De lezer heeft intussen allang van één plus één twee gemaakt, en dat geeft een onbehaaglijk gevoel. Hoe zit het met die Avati?

In De bank maken we kennis met het ultieme kwaad, het redeloze kwaad dat huist in het domein van de lustmoordenaar, de maniak. Bij Paul Stather is de macht volkomen geperverteerd en gecorrumpeerd en wordt er, zoals bij de neo-nazi's van Conny Braam, gemoord om het moorden. De onbetrouwbare verteller maakt De bank tot een verontrustend boek. De stijl van Stather is kaal, kil zakelijk, hij mijdt beeldspraak zoveel mogelijk en dat geeft zijn observaties kracht. Toch is het juist zijn schrijftrant die hem parten speelt: Stather schiet door, zijn zinnen lopen niet en zijn soms zo afgebeten dat het op de lachspieren werkt.

Wie wint de Gouden Strop 1997? Bij de hier besproken vijf genomineerde boeken neemt de omvang van het geweld per boek toe en wordt de sfeer grimmiger. De vraag is, of ook geldt: hoe kwaadaardiger het boek, hoe beter? Gek genoeg is dat inderdaad zo.

De eerste drie boeken vallen om verschillende redenen af. Braam schreef een roman, geen thriller en zou om die reden niet mogen winnen. Appels boek is meer een matige roman dan een spannende thriller. De Zwaan heeft een fraaie stijl, maar faalde in het bedenken van een sterke plot en naast het huzarenstukje van Mendes verbleekt zijn boek. Blijven als serieuze kandidaten over: Bob Mendes en Paul Stather/Verdaasdonk. Mendes' boek is het compleetst en het meest een afgerond geheel. In dat opzicht is Mendes Stather de baas. Maar hoewel niet makkelijk te categoriseren en ontsierd door een haperende stijl, is De bank spannend, intrigerend en beklemmend.