Filosofie als dienstmaagd van de literatuur

André Klukhuhn en Toef Jaeger (red.): Denkende schrijvers. Over filosofie en literatuur. Bijleveld, 188 blz. ƒ 29,90

Van de achttiende-eeuwse filosoof Jeremy Bentham is bekend, dat hij kegelen een even nuttige tijdpassering vond als het lezen van gedichten. Het wijst niet op een overdreven appreciatie van de schone letteren. Literatuur berustte in zijn ogen op onbetrouwbaar taalgebruik. Alles werd door dichters en schrijvers bij voorkeur anders voorgesteld dan het in werkelijkheid was, en dat ging ten koste van de waarheid. Gelukkig was er de filosofie, waarin dankzij controleerbare rationele redeneringen de waarheid wèl aan het licht kon treden.

Benthams opvatting past in een lange traditie van filosofische geringschatting van de literatuur, die begint met Plato's weigering de dichters toe te laten tot zijn ideale staat. Descartes, zelf wel degelijk een liefhebber van poëzie, meende dat de literatuur zich niet voor een rationele behandeling leende en dus geen bron van ware kennis kon zijn. Hegel ging zelfs zo ver het einde van de kunst af te kondigen, nadat de ultieme waarheid zich in zijn metafysische systeem had onthuld.

Zolang de filosofen ervan uitgingen dat volledige rationele kennis tot de mogelijkheden behoorde, golden kunst en literatuur hoe dan ook als minderwaardig, afhankelijk als zij zijn van zulke onzekere zaken als zintuigen, smaak en verlangens. Vergeleken met het heilige ontzag dat de filosofie afdwong, kreeg de literatuur al gauw iets frivools, iets wat meer weg had van een spel dan van een serieuze bezigheid.

Tegenwoordig zijn de verhoudingen eerder omgekeerd. Filosofen spreken nu met grote ernst over literatuur en verwachten er soms meer van dan van de filosofie, getuige de lofzang op de morele mogelijkheden van romans die de afgelopen jaren door Richard Rorty en Martha Nussbaum werd aangeheven. Voor hen is de verbeelding het aangewezen middel om de gewenste morele solidariteit te bevorderen.

Niets is immers geschikter om de ander dichterbij te brengen dan een roman, waarin de lezer een vreemd leven van binnenuit kan leren kennen. Op deze manier zou de literatuur in staat zijn de kloof, die door wederzijdse vooroordelen en andere culturele verschillen in stand wordt gehouden, te dichten. Bij Rorty is de moraal trouwens een volstrekt pragmatische aangelegenheid geworden: een waterdichte definitie van het Goede acht hij overbodig, de enige vraag die er voor hem nog toe doet is of een moraal onder bepaalde omstandigheden werkt of niet.

Ook buiten de ethiek maken de filosofen zich niet meer zo druk om het bestaan van een uiteindelijke waarheid. Al in de vorige eeuw ontmaskerde Nietzsche de waarheid als 'een beweeglijk leger van metaforen' en enkele decennia later sloot Wittgenstein de mogelijkheden van het denken op binnen de grenzen van de taal; zodra de logische betrouwbaarheid van de woorden ophield, konden de filosofen alleen maar hun mond houden. Zo niet echter de dichters en de schrijvers. Voor hen betekende de zelfbeperking van de filosofie een kans om de vrijgekomen ruimte in te nemen, want om de logische betrouwbaarheid van hun woorden hoefden zíj zich niet te bekommeren.

Dat wil niet zeggen dat schrijvers zich niet voor filosofie zouden interesseren. Uit Denkende schrijvers, een bundel lezingen en interviews van en met acht Nederlandse schrijvers over de verhouding tussen literatuur en filosofie, blijkt juist een grote belangstelling. Maar de omgang met de filosofie verraadt ook het toegenomen zelfvertrouwen. Van eerbied en ontzag is weinig of niets te bespeuren.

Dirk van Weelden noemt de filosofie 'een reusachtige gereedschapskist vol modellen om aan de meest uiteenlopende ervaringen vorm te geven' en beveelt een 'onfilosofische lectuur van filosofen' aan. Voor Kees 't Hart is de filosofie niet meer dan 'materiaal' dat hij met groot genoegen door de 'gehaktmolen' haalt. 'Weg met Plato', lezen we in het interview met M. Februari, terwijl Geerten Meijsing bekent zijn roman De ongeschreven leer te hebben geschreven als een 'aanval' op Plato, wat niet wegneemt dat hij in zijn bijdrage aan de bundel een fantasievolle poging onderneemt Plato en diens ongeschreven leer juist te rehabiliteren.

Niemand gelooft nog in de waarheid. 'Er is geen waarheid, er zijn waarheden', schrijft Sybren Polet, die wat dit betreft uit naam van allen kan spreken. Alom heersen 'tactisch ongeloof' (Van Weelden) en een met de nodige ironie doordesemde scepsis. Dat maakt het begrijpelijk dat het wijsgerig erfgoed voor bijna iedereen een gezellige grabbelton blijkt te zijn, waarin men naar believen de hand steekt, op zoek naar een bruikbaar idee, zonder zich veel aan te trekken van de traditie waarin die ideeën thuishoren. Voor deze 'denkende schrijvers' is filosofie in de praktijk een vorm van literatuur geworden.

Een meer gespecificeerd antwoord op de vraag naar de relatie tussen beide blijft uit, al neemt met name M. Februari afstand van de morele projecties van Nussbaum. Wie de literatuur reduceert tot een morele les, doet haar tekort, luidt haar stelling. Voor zover de moraal een rol speelt, is het als iets dat zich tijdens het schrijven proefondervindelijk moet bewijzen, zoals bij Dirk van Weelden voor wie zowel literatuur als filosofie van nut zijn geweest bij het stellen van de aloude vraag 'hoe te leven', zonder dat van een van beide een pasklaar antwoord wordt verwacht.

Van Weeldens benadering lijkt nog het best aan te sluiten bij het 'laboratorium van de moraal', dat Robert Musil (van wie ook de term 'denkende schrijvers' afkomstig is) van de kunst en de literatuur had willen maken. André Klukhuhn schrijft erover in zijn inleiding bij de bundel en de overige bijdragen suggereren wat er uit zo'n 'laboratorium' zou kunnen komen: niet zozeer de 'nieuwe moraal' die Musil verlangde, als wel een reeks divers gestemde pleidooien voor openheid, ontroering, spontaniteit, verandering en, als het even kan, een nieuw begin.

De filosofie verdwijnt hierbij langzaam maar zeker uit het zicht. En dat is volgens de meeste schrijvers ook de bedoeling. Zo lezen we bij Nelleke Noordervliet: 'Het schrijven van een roman is een vorm van toegepaste filosofie, en het is het mooiste als je de filosofie erin niet meer herkent'. Dezelfde gedachte wordt vertolkt door Kees 't Hart, die bijna tot zijn schrik moest ontdekken dat de 'verveling' in zijn roman Land van genade ook een belangrijk thema is geweest in het denken van Heidegger: 'Filosofie kan alleen literatuur worden wanneer ze zich tussen de regels door beweegt, wanneer ze bloed en adem van de personages is geworden en zich onzichtbaar heeft gemaakt.'

Zulke uitspraken onderstrepen de nieuwe verhouding. In het grijze verleden moest de literatuur nederig het hoofd buigen voor de filosofie die alle serieuze competentie inzake waarheid en moraal voor zichzelf reserveerde. Bij deze 'denkende schrijvers' ziet de filosofie zich gedrongen in de rol van dienstmaagd van de letteren, die zich niet meer mag vertonen na haar bescheiden doch nuttige taak te hebben vervuld.

Onbedacht blijft helaas dat deze veranderde relatie veel, zo niet alles, te maken heeft met de huidige situatie van de filosofie, waar de om zich heen grijpende twijfel aan eigen zin en betekenis een dergelijke rol haast vanzelf uitlokt. Het zou niet de eerste keer zijn dat de meid heimelijk het huishouden regeert. Maar om daarover meer te vernemen had men vermoedelijk in plaats van denkende schrijvers een gezelschap schrijvende denkers aan het woord moeten laten.