Enorme Thema's; Expositie Future, Present, Past

Groot, groter, grootst - op de Biennale van Venetië is alles groot. Op de tentoonstelling Future, present, past, samengesteld door Biennale-curator Germano Celant, kreeg de Joegoslavische kunstenares Marina Abramovic niet alleen een van de grootste zalen tot haar beschikking, ze maakte ook het grootste gebaar - zo groot zelfs dat het Joegoslavische paviljoen haar 'Balkan Baroque' heeft geweigerd.

Helemaal onbegrijpelijk is dat niet: wie in de donkere kelder afdaalt ziet een filmpje, waarin Abramovic, gekleed in witte doktersjas, vertelt hoe ze op de Balkan ratten vangen: een luguber verhaal over ratten die andere ratten opeten tot de sterkste over is. Ter illustratie daarvan ligt aan de voeten van de toeschouwer een forse stapel botten - vel, vet en bloed zitten er nog aan. Het vervolg van het filmpje is onbegrijpelijk: plotseling klinkt er Balkanmuziek, Abramovic gooit haar doktersjas uit, trekt een rode doek uit het decolleté van haar avondjurk en begint te dansen - einde filmpje.

Abramovic, ze woont al lange tijd in Amsterdam, is met haar pathos het meest extreme voorbeeld van de Grote Kunstenaar voor wie Celant een voorliefde aan de dag legt. Door tijdnood gedwongen - hij werd pas in januari aangesteld als curator - hield Celant het thema eenvoudig: 'toekomst heden en verleden'. Een alles omspannende sterrenhemel wil hij laten creëren, vol van alle lichtpuntjes die er op dit moment in de kunstwereld te vinden zijn, ieder met zijn eigen kracht en reikwijdte.

In het hoofdgebouw van de Biennale presenteert Celant 'oudgedienden' als Roy Lichtenstein, Claes Oldenburg, Luciano Fabro, Anselm Kiefer, Mario Merz en Bruce Marden, kunstenaars die elk minstens drie decennia meegaan. Zij zijn vooral uitgekozen om de 'impact' van hun oeuvre - omdat ze grote kunstenaars zijn dus. Het pijnlijke is alleen dat die status ze volledig in beslag heeft genomen. Bijna alle werken in dit Biennale-gedeelte maken grote gebaren op groot formaat. De kroon wordt gespannen door Kiefer. 470 bij 940 cm had hij nodig om een modderig scheefgezakte piramide te schilderen, die hij Dein und mein alter und Das Alter der Welt noemde. Maar ook Lichtenstein, Fabro, Annette Messager, Rebecca Horn, Jim Dine en Merz zijn voornamelijk in de weer met het bevestigen van hun status. Hun werken zijn meestal zaalvullend en ze verwijzen onveranderlijk naar Enorme Thema's: Oorlog (Horn), Seksualiteit (Messager), Tijd (Kiefer) of Schilderkunst (Richter, Ruscha). Zelden krijgt de toeschouwer lucht of is er ruimte voor persoonlijke emoties - of je getuige bent van een onderonsje op de Olympus, zonder plek voor gewone stervelingen.

Vergeleken met dit spektakel komt, even buiten het Biennale-terrein, het tweede onderdeel van Celants tentoonstelling, met jongere kunstenaars, als een opluchting. De Engelse broers Jake en Dinos Chapman hebben bijvoorbeeld in het gangpad zeven kleuterhoge mensenschedels neergelegd, zo groot, zo bruin en met zulke holle bekken, dat het Vanitas-idee dat de koppen aankleeft er onmiddellijk belachelijk door wordt.

Liever nog is me de groep van twaalf Chinezen van Juan Muñoz. Ze zijn uitgevoerd in grijs, staan in een halve cirkel en staren breed lachend naar een punt op de verweerde muur - waar niks te zien is. In al hun vrolijkheid delen ze een mysterie waar jij nooit bij zult horen, maar erg is dat niet. Ze staan er zo vrolijk dat het aanstekelijk wordt. Er zijn meer werken die tevreden stemmen: het filmpje van de Zwitserse Pipilotti Rist dat een idylle blijft, hoewel het hoofdrolspelende elfje de ene autoruit na de andere inramt.

Het beste werk is Bad Trip, een op drie wanden geprojecteerde film van de Engelse Sam Taylor-Wood. Op de achterwand zien we een restaurant, vol en druk; aan iedere tafel zitten mensen geanimeerd te eten en te praten. Op de linkerwand zien we in het gezicht van een knappe jonge vrouw: ze snikt, probeert dan haar tranen weer te verdringen - ze ziet er hartverscheurend uit. Tegenover haar, op de derde muur, zien we twee nerveuze mannenhanden. Ze spelen met een aansteker, peuteren aan het etiket van een fles. Je ziet ze praten, tegelijk en detail, op de twee overliggende wanden en in hun omgeving want je ontdek ze ook op de achterwand: ze zitten in het restaurant.

Alle emoties die mensen in zo'n situatie kunnen doormaken, voltrekken zich simultaan. De twijfel, de boosheid, maar ook het gevoel even naast jezelf te staan en je absurd te weten - het zit er allemaal in. Taylor-Wood slaagt er zo goed in dit op te roepen, dat het bijna banaal wordt. Zo veel en zo herkenbaar maakt achterdochtig. Maar één gedachte aan het pathos van Marina Abramovic is voldoende om het besef van de kwaliteit van Bad Trip door te laten breken. Zo dichtbij, zo confronterend, zo gelaagd moet kunst zijn.