Elke dag zwaardvis

De brommer was rood, dat was hij in ieder geval ooit geweest. Twintig jaar geleden. Het was ook meer een scooter dan een brommer. Secundo klopte op het zadel alsof de brommer een paard was. 'Het is een mooi exemplaar', zei hij. 'Het beste wat, ik kon krijgen.'

We stonden er allemaal omheen. En Secundo zei, 'hij is niet zo mooi als mijn vorige brommer, maar voor nu is ie goed genoeg.'

'We kunnen er nooit met zijn allen op,' zei Manuel.

'Nee,' zei Secundo, 'alleen de belangrijksten gaan met de brommer, de anderen moeten gaan lopen of met het openbaar vervoer.' Het was duidelijk dat hij zichzelf tot de belangrijksten rekende.

'Er is in deze buurt geen openbaar vervoer,' merkte Connie op.

'Nou dan gaan ze dus lopen,' zei Secundo geïrriteerd.

'Denk je dat we aan één brommer genoeg hebben?' vroeg Manuel. Het idee dat hij moest gaan lopen scheen hem niet te bevallen.

'Een brommer is meer dan genoeg,' zei Secundo. 'Ik heb zoveel overvallen gepleegd dat ik de tel ben kwijtgeraakt, en nooit met meer dan één brommer, hoor je me?'

'Maar dit is Amerika,' mompelde Manuel. Hij vertrouwde het niet, dat was duidelijk. Misschien had hij zich op het laatste moment bedacht, en wilde toch liever tot het eind van zijn leven 's nachts met een zwabber door het lege restaurant achter een gele tennisbal aanrennen. Dat deed hij namelijk iedere avond, hij noemde het 'hockey'.

Secundo had gezegd dat we van al onze problemen af zouden zijn. Het zou kunnen dat Manuel zo gehecht was geraakt aan zijn problemen dat hij er niet meer van af wilde. Of misschien had hij gewoon geen goeie schoenen.

'Misschien,' zei de dwerg, 'kan ik ze afleiden? Daar in het postkantoor.'

Het was voor het eerst dat we hem zoveel hoorden spreken. Hij was onze nieuwe afwasser. Hij reikte tot aan mijn kruis, maar had het gezicht van een oud mannetje.

'Hoe kom jij erbij om ze af te leiden?' wilde Connie weten.

'Ik ben eigenlijk artiest,' zei de dwerg, 'ik heb veel mensen afgeleid in mijn leven.'

'Krijgen we allemaal een wapen?' vroeg de Zeerover.

'Nee,' zei Secundo. De Zeerover vloekte.

'Ik zal jullie uitleggen waarom niet. In mijn dorp wilde een vriend van mij eens een overval plegen. Ze waren met zijn achten. Ze kregen allemaal een wapen. Nog voor ze het postkantoor hadden bereikt begonnen ze op elkaar te schieten. Omdat ze ruzie kregen over de verdeling van de buit. Het was een bloedbad. Daarom moet er maar één iemand een wapen hebben.'

'We krijgen toch wel bivakmutsen?' informeerde Manuel.

'Ja natuurlijk,' zei Secundo. Hij bedekte de brommer onder een zeil.

'Wat ik zal doen,' zei de dwerg, 'is het volgende. Ik zal met mijn stok tegen het raampje tikken. En dan zal ik zo hard als ik kan roepen dat ik postzegels wil kopen, maar dat ik niet bij het loket kan. Dan komt hij natuurlijk vanachter het loket vandaan, en op dat moment kunnen jullie hem overvallen.'

'Dat is geniaal,' zei Secundo, 'dat is geniaal. Het is jammer dat ik jou niet eerder heb ontmoet.' Toen klopte hij voor de laatste keer op de brommer en zei, 'zo brommertje houd je nog maar even koest, over een paar dagen mag je eruit, en dan scheur je over de wegen alsof je het nieuwste model bent.' Daarna gingen we naar binnen.

Toen de datum waarop de overval zou plaatsvinden bekend was gemaakt, begon Manuel aan buikkrampen te lijden. Naarmate de datum dichterbij kwam, werden de buikkrampen erger. Hij bood aan om thuis te blijven, omdat hij met zijn buikkrampen de boel toch alleen maar op zou houden, maar Secundo wild er niet van weten. 'We hebben iedereen nodig', zei hij. 'Hoe meer mensen, hoe meer verwarring en op verwarring komt het aan bij een overval.'

's Avonds na sluitingstijd informeerde Secundo ons over de vooruitgang van zijn plannen. Secundo en de dwerg zouden op de brommer gaan, De Zeerover ging op de fiets, en de anderen zouden gaan lopen. Eerst wilde Secundo geen fietsen.

'Alsjeblieft geen fietsen, met fietsen heb ik tot nu toe alleen maar ongeluk gehad,' zei hij. 'Ik ben een keer in een kuil gevallen met mijn fiets. Mijn fiets lag in de kreukels en ik ook. Toen heb ik de overval op het laatste moment moeten afblazen. Nee, geen fietsen.'

Maar De Zeerover zei dat als zijn fiets niet mee mocht, dat hij dan net zo lief zelf ook thuisbleef. En toen gaf Secundo toe. Valentina zei dat haar leven nu misschien ergens heen zou gaan, het maakte niet uit waarheen, als het maar ergens heen zou gaan. Twee dagen van tevoren kregen we bivakmutsen uitgereikt. Er waren er niet genoeg. Daarom moesten twee panty's over hun hoofd trekken. Connie en ik boden ons aan als vrijwilligers. Alleen de dwerg hoefde niets over zijn hoofd. De avond voor de overval organiseerde Secundo een groot feest in het restaurant.

Manuel had even gesuggereerd vroeg naar bed te gaan, maar Secundo zei dat waar hij vandaan kwam het traditie was voor een overval een groot feest te organiseren, omdat je maar nooit wist. En dat hij onder geen beding met deze traditie wilde breken.

Op maandagochtend zou het allemaal gebeuren, zondagavond was het feest.

De Zeerover had een enorme chocoladetaart gebakken. Onder luid applaus werd de taart binnengedragen. De taart kreeg een ereronde. Iedereen moest hem bekijken voor we hem aansneden. Een zangeres zong, 'een twee drie Maria' maar dan in het Spaans. Valentina danste met Secundo. En Manuel had een rooie zakdoek in zijn hand, en daarmee danste hij terwijl hij meezong met de muziek.

In de keuken lagen de bivakmutsen en de panty's klaar. En ik, ik dacht nog altijd dat het een van die plannen was, dat voor altijd een plan zou blijven. Alleen maar een plan, niets anders dan plan.

(Wordt vervolgd)