Eenzaam aan alle kanten

John Banville: The Untouchable. Picador/Knopf, 407 blz. ƒ 46,95

De nieuwe, spannende roman van de Ierse John Banville gaat over een dubbelspion, maar is niet geschreven voor de doorsnee liefhebber van spionagethrillers. Daarvoor is het tempo te traag, de gebeurtenissen te weinig bloedstollend, de ontknoping teveel een anticlimax. The Untouchable is bij uitstek een literair hoogstandje, waarin de lezer zich kan verlustigen in een parelende stijl, in feite een verbazend rijk register aan stijlen, variërend van hyperlyrisch tot gortdroog. Dat Banville een heel scala aan sociale klassen in deze roman aan het woord laat komen - hoewel zeker niet in gelijke mate - geeft hem de gelegenheid geweldig te variëren in taal- en woordgebruik. De eerste verzuchting bij het openslaan van The Untouchable is: wat schrijft hij toch mooi. Soms bijna té mooi. Deze roman schenkt beslist veel esthetisch genoegen.

John Banville (1945), journalist en literatuurredacteur van The Irish Times, schreef eerst vier romans over grote natuurkundigen - Einstein, Kepler, Newton en Copernicus -, waarna hij met de roman The Book of Evidence (Het boek der getuigenis, Bookerprijsnominatie 1989) een groter publiek vond. In dit boek, een verslag van een moord vanuit een dubieus perspectief, speelt Banville net als in Ghosts (1994) en Athena (1995) een schitterend spel met schijn en werkelijkheid, met immorele hoofdpersonen en onbetrouwbare vertellers. Nu, in The Untouchable, lijkt hij met de Ier Victor Maskell, een op latere leeftijd homoseksueel geworden dubbelspion voor Londen en Moskou, het toppunt van de verdachte ik-verteller te hebben gevonden.

Victor Maskell, gemodelleerd naar de Britse dubbelspion Sir Anthony Blunt, vertelt op 72-jarige leeftijd zijn intrigerende levensverhaal aan zijn dagboek en aan zijn biografe, Miss Vandeleur, die hij veracht. Hij heeft kanker, zijn vrouw die hij vele jaren geleden verliet is na jaren van chronische melancholie gestorven, zijn kinderen staan mijlenver van hem af en zijn liefdesvriend is onder onduidelijke omstandigheden van het balkon gestort.

Erger dan dit alles is zijn recente ontmaskering. Van zijn dokter tot de BBC Worldservice spreekt men over de ontdekking dat hij van de jaren dertig tot en met vijftig niet alleen gelouwerd spion voor Engeland was, maar al die tijd ook voor Moskou. Zijn adellijke titel wordt hem afgenomen, evenals zijn eredoctoraten als wereldvermaard kunsthistoricus. Het Engelse koningshuis, waarvoor hij Keeper of the King's Pictures was, kent hem niet meer. Zijn meest dwaze vriend en mededubbelspion, een biseksuele, extravagante levensgenieter gemodelleerd naar Guy Burgess, is gevlucht naar Moedertje Rusland en kwijnt daar nu weg. De grote stille liefde van zijn leven - broer van zijn vrouw en óók dubbelspion sinds decennia - is een hoge politicus geworden en gokt nu op heel andere paarden.

Banville schildert een schrijnend portret van een volstrekt eenzame geheim agent die met zijn homoseksuele escapades grote risico's nam, tot nog niet zo lang geleden, om ten slotte in een valstrik te lopen en in de gevangenis te belanden. De benepen jaren vijftig, de tijden van armoedig fatsoen en Koude Oorlog, worden door de schrijver neergezet als 'the last great age of queerdom', waarin angst en spanning de opwinding alleen maar verhoogden. De vrolijke jaren twintig en dertig, toen studenten en anderen zich filosoferend en vooral hevig feestend verweerden tegen de onhoudbaar naderende economische malaise en de oorlog, komen in The Untouchable even verrukkelijk tot leven als in Waughs Brideshead Revisited, maar met een veel cynischer ondertoon.

Een van Banville's bronnen was de marxistisch georiënteerde vriendenclub in Cambridge, 'The Apostles', waaruit tal van spionnen werden gerecruteerd. Maar hij bestudeerde ook de biografie die Anthony Blunt schreef van de schilder Poussin. In The Untouchable blijkt het schilderij dat Victor Maskell van Poussin op de kop tikt, Death of Seneca en de grootste liefde van zijn leven, uiteindelijk mogelijk onecht. Net als wellicht zijn dochter, en ook zijn biografe.

Victor Maskell wordt niet bestraft, maar zijn lot is gruwelijk. De venijnige, hautaine en klassenbewuste humor waarmee hij zijn kennissen beschrijft, verluchtigt voor ons dat levenseinde bijzonder. Geestig is bijvoorbeeld de manier waarop hij de schrijver-spion Graham Greene belachelijk maakt. Of zijn eigen snobisme waar hij meer spijt van heeft dan van de ettelijke doodvonnissen die hij op gang hielp. Zijn hoogmoed ('You might say, I have invented Poussin'). Zijn dodelijke klassenhumor, als Ier over de Britten. Zijn initiatie als homo beleeft de dubbelspion op de laatste nacht van de Blitz met een mooie arbeidersjongen, wat al donderend en flikkerend een Wagneriaans effect krijgt, tot de ontnuchterende opmerking van vriend-spion Boy (Burgess) in de ochtend: 'Welcome to the Homintern'.

Evengoed valt er natuurlijk wat af te dingen op deze roman van 400 bladzijden. Antisemitische opmerkingen, vrouwvijandige observaties - de schrijver maakt het ons niet gemakkelijk, en ongetwijfeld is dat zeer bewust. De volstrekt onthechte houding van de ik-figuur ten opzichte van zijn vrouw en kinderen ('I had hoped to miss the birth') wordt door zijn later uitgeleefde homoseksualiteit, noch door zijn spionnenbestaan, voldoende gerechtvaardigd. Hoewel zij ook nooit van hem hield, blijft het tussen hen toch maar een vreemde Koude Oorlog.