Een Turks model voor Algerije

Michael Willis: The Islamist Challenge in Algeria. A political history. Ithaca Press, 419 blz. ƒ 108,-

Andrew J. Pierre & William B. Quandt: The Algerian Crisis. Policy options for the West. Carnegie Endowment, 70 blz. ƒ 19,25

'Het FIS staat voor een zaak, een natie, een religie en een geschiedenis die niet zomaar zullen verdwijnen door een besluit om de partij te verbieden.' Zo reageerde het Front islamique du salut (FIS) toen het Algerijnse leger in januari 1992 verhinderde dat een islamistische partij voor het eerst in de geschiedenis via democratische verkiezingen aan de macht kwam. Vijf jaar later worstelt Algerije nog steeds met de gevolgen. De parlementsverkiezingen van vorige week, waarbij het FIS van deelname werd uitgesloten, hebben hier weinig aan veranderd. De frustratie met de militaire machthebbers lijkt alleen maar toe te nemen. Velen menen daarom dat het Algerijnse dilemma onoplosbaar is. Een democratie, die wordt gegijzeld door een uitgesproken ondemocratische beweging als het FIS, is per definitie ten dode opgeschreven.

Lezing van Michael Willis' gedetailleerde studie The Islamist Challenge in Algeria geeft echter aan dat het huidige bloedbad niet een direct gevolg is van de populariteit van het islamisme. De oorzaak van het falen van het democratiseringsproces ligt veeleer bij het onverschrokken optreden van de seculiere machthebbers. Volgens Willis is het gedachtengoed van het FIS veel hechter vervlochten met de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd en staatsvorming dan algemeen wordt aangenomen.

Het was de Association d'ulama musulman Algérien, onder leiding van Ben Badis, die in de jaren dertig de grondslag legde voor de bevrijdingsideologie tegen de Franse bezetter. In 1956 vond Ben Badis' synthese van islam en nationalisme zijn weerslag in een formele coalitie tussen de Algerijnse ulama (islamitische rechtsgeleerden) en het Front de libération nationale (FLN). Activisten van het huidige FIS vochten toen zij aan zij met de seculiere rebellen. Abassi Madani, de geestelijke vader van het FIS, werd bijvoorbeeld acht jaar lang door de Fransen gevangen gehouden wegens zijn deelname aan een aanslag die het begin van de onafhankelijkheidsoorlog had ingeluid. Deze betrokkenheid bij het ideologische fundament van de Algerijnse staat maakt het aannemelijk dat het FIS geenszins van plan was de verkiezingszege in 1991 aan te grijpen voor een ingrijpende en dictatoriale omwenteling van het staatsbestel. Het accent op de islam, dat tijdens het corrupte bewind van de FLN verloren was gegaan, diende in de ogen van Abbasi en andere islamistische veteranen allereerst hersteld te worden.

Door deze historische context kan de gematigdheid, waarop het FIS zich vaak heeft beroepen, volgens Willis niet louter worden afgedaan als opportunisme en cynische machtspolitiek. Willis beschrijft hoe het FIS, ondanks zijn radicale agenda, verschillende malen probeerde te voorkomen het FLN en het leger voor het hoofd te stoten. Zo zou het FIS het indertijd met president Chadli op een akkoordje hebben gegooid: het FIS zou het economische liberaliseringsprogramma niet kritiseren in ruil voor een eerlijke kans bij de verkiezingen. Dit was geen geringe toezegging voor een beweging die zijn succes voornamelijk te danken had aan de economische malaise in het land. Pas toen Chadli zijn belofte brak en in 1991 de verkiezingen manipuleerde om een zege van het FIS te voorkomen, begon het FIS kritiek te uiten op het economische beleid. Ook nadat Abbasi en de veel radicalere en jongere Ali Belhadj twee maanden later werden gearresteerd, bleef de gedisciplineerde 'electorale strategie' van het FIS van kracht, hoewel de roep onder hun sympathisanten om het regime met geweld omver te werpen steeds luider werd. Zelfs de reactie van het FIS op de militaire staatsgreep en de afgelasting van de tweede ronde van de parlementaire verkiezingen was opvallend voorzichtig. Abdelkader Hachani, die voor Abassi het leiderschap waarnam, riep op geen geweld te gebruiken. Willis laat er overigens geen misverstand over bestaan dat het FIS allesbehalve een democratische beweging is. Maar uit zijn analyse kan wel worden opgemaakt dat het FIS onder het leiderschap van Abbasi in een door het leger gecontroleerd systeem zou hebben kunnen functioneren.

De militaire coup en de repressie van de islamistische oppositie nam alle wind uit de zeilen van het oudere leiderschap van het FIS. Voor de aanhangers van Belhadj, die zich eerst morrend hadden neergelegd bij Abassi's relatieve ingetogenheid, was het geduld nu op. Velen van hen begonnen zich aan te sluiten bij terreurgroepen als de Mouvement islamique armé (MIA). Voor hun politieke inspiratie keken de veel jongere MIA-leiders minder ver in de geschiedenis dan het FIS. Hun held Mustafa Bouyali was in 1981 tot de conclusie gekomen dat het goddeloze regime met grof geweld van de aardbodem geveegd diende te worden. In de jaren tachtig had zijn beweging al door spectaculaire aanslagen van zich laten horen totdat Bouyali in 1987 in een treffen met het leger omkwam. Het verbod van het FIS promoveerde Bouyali's erfgenamen tot de nieuwe hoofdrolspelers. Aanhoudende onderdrukking en de weigering van het FIS-leiderschap om zich onvoorwaardelijk aan te sluiten bij het gewapende verzet leidde in 1993 tot de oprichting van de Groupes islamiques armées (GIA) die vervolgens de meeste moordpartijen voor hun rekening namen. Deze nieuwe en gewelddadige islamistische groepen plaatste het FIS volgens Willis voor een dilemma. Het FIS vreesde dat het zijn steun onder islamistische activisten zou verliezen als de partij niet zelf het voortouw nam in de gewapende strijd. Maar het front wilde ook zijn strategie voortzetten om een acceptabele partner van het regime te worden. Dit laatste vereistte echter dat het FIS redelijke banden onderhield met de gewapende groepen omdat het alleen zo kon blijven beloven dat het geweld zou ophouden als het democratiseringsproces zou worden hervat. Dit dilemma leidde ertoe dat de positie van het FIS steeds ondoorzichtiger werd. Terwijl Abassi's 'officiële woordvoerder' in Duitsland (Rabah Kebir) de media het vriendelijke gezicht van het FIS voorhield, richtte het front in 1994 tegelijkertijd het Armée islamique du salut (AIS) op in een poging de rivalen in de gewapende strijd regime te kunnen domineren. Om hun alleenrecht op het islamistische geweld te verzekeren, voerden de GIA de moordcampagne daarom op door de definitie van een legitiem doelwit voortdurend te verruimen, aldus de gecompliceerde analyse van Willis.

De Algerijnse burgers draaiden op voor de gevolgen van de koppigheid van het regime én de verdeeldheid van de islamistische oppositie. Over hun oorlogsmoeheid en angst gaat het minder gedetailleerde maar toegankelijkere boek The Algerian Crisis: Policy Options for the West van Andrew J. Pierre en William B. Quandt. Dat beide auteurs optimistischer zijn dan Willis over een oplossing van het Algerijnse drama is vooral terug te voeren op hun analyse van de presidentsverkiezingen in 1995. President Zeroual won de verkiezingen niet alleen door de wijdverbreide walging over het islamistische geweld maar ook omdat hij de indruk maakte een vreedzaam akkoord te willen nastreven met het FIS. Volgens Quandt en Pierre was het bemoedigend dat het FIS direct na de verkiezingen Zeroual feliciteerde met zijn 'populariteit' en opriep tot hervatting van de dialoog. Pierre en Quandt concluderen dat de Algerijnse presidentsverkiezingen een grotere kans hebben geboden voor een politieke regeling dan ooit de afgelopen jaren. De auteurs pleiten voor een variant op het 'Turkse model', waarbij het leger aan de zijlijn waakt over de constitutie die de bewegingsvrijheid definieert van alle politici. Maar dan dienen de Verenigde Staten, in nauwe samenwerking met de Europese Unie, wel een veel actievere rol te spelen dan nu het geval is door hun economische hulp aan het Algerijnse regime te koppelen aan vooruitgang in het vredesproces. De Westerse belangen worden immers wel degelijk geschaad. Het overwaaien van het geweld naar Frankrijk, een mogelijke destabilisering van Algerije's buurlanden en een aanhoudende vluchtelingenstroom naar Europa worden in dit verband genoemd.

Zeroual gebruikte zijn legitimiteit tot nu toe niettemin voor andere doeleinden. De felicitaties van het FIS en het initiatief van de gezamelijke Algerijnse oppositie om hem te bewegen tot een vergelijk bleven onbeantwoord. In plaats daarvan hoopte Zeroual zijn verkiezingssucces van 1995 te herhalen via de parlementsverkiezingen van vorige week. Wederom zonder het FIS.

Over de vraag of het FIS zich in het regeringspluche wel zal houden aan democratische beginselen valt te twisten. Maar het Heilsfront blijft de enige partij die een einde kan maken aan de terreur van zijn bewonderaars onder de islamistische wapenen.