Een literaire roulette; James Brockway, vertaler van Nederlandse poëzie

Morgen begint Poetry International, een festival dat bestaat bij de gratie van vertalers naar het Nederlands. De dichter James Brockway vertaalt Nederlandse poëzie in het Engels. “Nederlanders zijn ontzaglijk eigenwijs. Ze denken dat ze alles zelf moeten doen.”

James Brockway is aanwezig op de openingsavond van Poetry International, zaterdag 14 juni 20.00, in de Rotterdamse Schouwburg.

“Ik kwam naar Nederland in 1946 om - lach niet! - om dichter te worden,” zegt James Brockway (80) lach.

Een eigenaardige weg, voor een Engelsman, om zich tussen Nederlanders te vestigen teneinde een engelstalige dichter te worden. “Ja!” zegt hij. “Maar dat trok me juist aan. Omdat het moeilijk was.”

En toen het leek te gaan lukken met die poëzie van hem, toen men hem zelfs een belofte noemde ('a white hope for fame'), toen had hij er niet meer zoveel aardigheid in en legde zich toe op iets anders moeilijks: Nederlandse literatuur, en vooral poëzie, vertalen in het Engels.

“Ik wil met die vertalingen de Nederlandse literatuur beter bekend maken in Engeland. Dat heb ik al mijn Nederlandse jaren geprobeerd.”

Waarom wil iemand zoiets lastigs zo graag?

“Omdat het moeilijk is! Dat is voor mij een aansporing. Een buiten-literaire aansporing, dat besef ik wel. Maar ik denk almaar: het zál me lukken!”

En is het gelukt?

“Nee. Ik had tien keer zoveel moeten doen. Ik ben helemáál niet tevreden. Vijfentwintig jaar geleden begon een recensie in Engeland met de bewering: 'We weten eigenlijk niets van Nederlandse literatuur'. Een half jaar geleden begon een recensie met precies dezelfde zin!”

Dat vindt hij dus niet diep ontmoedigend, om almaar dezelfde steen tegen dezelfde berg op te rollen?

“Een van mijn eerste gedichten in mijn eerste bundel in 1949 ging over Sisyfus. Daar hou ik van.”

In de zonnige tuin van zijn Haagse huis praat James Brockway - half in het Engels, half in het Nederlands, dat hangt van de anecdote af die hij vertelt - over zijn eigen en andermans werk. Onlangs werd hij geridderd, hij kreeg in 1966 de Nijhoff-prijs voor zijn vertalingen, het lukte hem om een royale keuze uit de poëzie van Rutger Kopland in Engeland uitgegeven te krijgen, twee jaar geleden verscheen een dichtbundel van hemzelf (A way of getting through) en een dikke bundel met werk van acht moderne Nederlandse dichters (Singers behind glass). Bovendien waren groten als Achterberg en Bloem gelukkig met zijn vertalingen van hun werk, hij introduceerde Achterberg in Amerika, schreef eerst in het Algemeen Handelsblad en later in de Nieuwe Rotterdamse Courant enthousiasmerend over modern Engels proza - en nu zit hij in zijn tuin en grinnikt dat hij helemáál niet tevreden is. Maar vrolijk en onderhoudend is hij wel.

“Ik vond het geen verspilde tijd hoor, al die jaren. Een vriend van me heeft wel eens tegen me gezegd: 'Jim, je kent Frans en Duits, waarom ga je niet uit een van die talen vertalen? Daar is veel meer eer mee te behalen.' Maar ik ben hier in Nederland en er is Nederlandse literatuur te vertalen. Ik wíl helemaal niet uit het Frans of het Duits vertalen, ik hoef niet dat soort eer te behalen. Ik ben heel kieskeurig. Het gaat mij niet om grote namen. Ik hou bijvoorbeeld erg van het werk van Achterberg, en ik heb ook wel gedichten van hem vertaald, maar ik heb dat laten vallen omdat je zijn werk bederft in vertaling.”

T.S. Eliot

Met dat bederven viel het waarschijnlijk nogal mee. J.J. Oversteegen haalde onlangs in Raster op hoe hij in de jaren vijftig, als directeur van de toen pas opgerichte Stichting voor Vertalingen, de poëzie van Nijhoff probeerde te slijten aan T.S. Eliot, toen redacteur van uitgeverij Faber and Faber. Eliot zag niets in de vertalingen (“We are not, I must admit, impressed by the quality of the translations”) en schreef Oversteegen dat poëzievertalingen eigenlijk alleen konden slagen als er de naam van een beroemde dichter aan verbonden was. Van dat laatste kwam hij echter terug toen hij Achterberg-vertalingen van James Brockway onder ogen kreeg. “Die troffen hem niet alleen,” schrijft Oversteegen, “hijzelf was het die over een tweetalige uitgave begon, op voorwaarde dat Brockway meer gedichten klaar zou hebben.”

Dat zijn poëzie-vertalingen een dergelijke indruk wisten te maken heeft natuurlijk te maken met Brockways vertaaltalent, maar ook met zijn vertaalopvattingen, die hij uiteenzet onder verwijzing naar J.C. Bloem. Die schreef dat een vertaling in de eerste plaats dichterlijk moet zijn, dus in de nieuwe taal een echt gedicht moet opleveren, en in de tweede plaats zo letterlijk mogelijk moet zijn, zonder afbreuk te doen aan de eerste vereiste. Brockway: “Bloem had het over een bepaald soort poëzie, over formele, rijmende gedichten. Maar ook bij vrijere poëzie moet je erop letten dat de schoonheid van het gedicht in de vertaling zichtbaar bijft. Daar heeft bijna nooit iemand het over, het gaat altijd over of er in de vertaling wel hetzelfde staat als in het origineel, maar een vertaling moet ook móói zijn. Klank heeft betekenis in poëzie, dus dat moet ook uit je vertaling blijken. Bij de gedichten van Kopland bijvoorbeeld, die niet rijmt en geen vaste vormen gebruikt, moet je juist veel aandacht besteden aan de cadans van zijn zinnen. Die is in het Engels natuurlijk heel anders - het is alsof je water moet omvormen. Dat is bijna onmogelijk. But I líke doing that, yes, I líke it.

“Er is wel eens tegen mij gezegd: 'U bent toch zelf dichter, waarom wilt u dan het werk van anderen vertalen?' Zo heb ik er nooit over gedacht. Ik vind vertalen geen vorm van kopiëren. Vertalen vereist een complete transformatie. Om het gedicht te maken tot - tot wat het was.” En weer grinnikt Brockway vrolijk, nu hij zijn eigen inspanningen tot zoiets tegelijk onmogelijks en overbodigs heeft weten terug te brengen.

Hij kwam destijds in huis bij de familie van een goede Nederlandse vriend. Die familie leefde heel exclusief en hield zich erg afzijdig van alles. Hij hoorde er vaak de woorden 'tegendraads' en 'in de contramine'. Dat lijkt Brockway, die veel van deze familie heeft gehouden, achteraf erg Nederlands.

“Het is typisch Nederlands,” zegt hij “om te zeggen: 'Nee, nee, dat ziet u helemaal verkeerd'. Nederlanders zijn ontzaglijk eigenwijs. Ze denken dat ze alles zelf moeten doen en dat ook beter kunnen dan een ander. Nederlandse vertalers die uit het Engels vertalen zullen mij niet snel om hulp vragen, ook al heb ik die aangeboden. Ze maken liever domme fouten. Misschien komt het doordat Nederland zo'n klein land is, helemaal omringd door andere veel grotere landen waar ze altijd maar tegenop moeten tornen? Dat is natuurlijk toch een heel andere situatie dan de onze, op een eiland.”

Slak

Toch lijkt Brockway zelf ook nogal graag tegendraads en in de contramine. Hij opereert het liefst op eigen houtje, zonder georganiseerd verband. “Als jonge Engelsman, toch al heel geïsoleerd hier in Nederland, ben ik zeker door de sfeer in die Nederlandse familie die zich zo afzijdig hield beïnvloed. Tè veel waarschijnlijk. Achteraf denk ik dat ik bijvoorbeeld van mijn ontmoeting met Bloem veel meer had kunnen maken. Ik vond laatst een brief terug waarin hij mij uitnodigde om eens bij hem langs te komen, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik vond eigenlijk dat mijn werk met niemand te bespreken was. Ik was als een slak in zijn huisje.”

Ook in zijn vertaalactiviteiten al die jaren heeft Brockway veel alleen gedaan. Zelf auteurs gekozen, zelf contacten gelegd met redacteuren van tijdschriften en uitgeverijen in de hoop dat het allemaal ergens toe zou leiden, “seeing it all as my own private game of literary roulette”.

Hij benadrukt dat het zomaar vertalen van Nederlands literair werk niet voldoende is, je moet het zo vertalen dat een Engelse uitgever zin krijgt om het uit te geven. Maar wanneer krijgt die zin?

“Je moet je redacteuren kennen. Een voorbeeld: er is een redacteur, ik noem geen namen, van wie ik weet dat een gedicht met een hond erin (hij had zelf heel lang een hond die altijd op de uitgeverij onder de tafel lag), of met een paard erin (hij bezat eigen renpaarden), of met een boot (hij was vroeger bij de marine), of met een naakte vrouw erin, bij voorkeur van achteren gezien (hij heeft veel van zulke schilderijen aan de muur), aanzienlijk beter bij hem valt dan een gedicht over, laten we zeggen, een stoommachine, of over de toekomst van de wereld. Dus van die laatste soort stuur ik hem niet zo veel. Een heel goede redacteur overigens hoor. Maar dit viel me toch op.”

Het succes van een vertaling hangt natuurlijk van nog een paar dingen meer af dan van de honden, paarden en seksuele voorkeuren van Engelse redacteuren. Het is vooral belangrijk om van een Nederlands gedicht een Engels gedicht te maken - maar ook weer niet tè Engels.

Brockway: “In eerste instantie ben ik vaak geneigd om een gedicht Engelser te maken dan het hoeft te zijn. Vanwege de gedachte aan toekomstige lezers probeer ik het dichter naar alledaags Engels te brengen dan, zeker in poëzie, hoeft. Ik denk bij de eerste versie steeds: het moet Engels zijn, het moet ze overtuigen... Bij voorbeeld in Koplands gedicht 'Dode vogels', daarin luiden de laatste regels 'de hoop om te kunnen verdwijnen/ in heide, bosrand'. Daarvan had ik eerst gemaakt: into the heather, the rim of the wood. Met allemaal lidwoorden dus, alleen maar om het 'gewoner' te maken. Die zijn later weer verdwenen en nu staat er: into heather, wood's edge. Dat is ook veel mooier. En veel dichter bij het origineel.

“Kopland gebruikt nooit te veel woorden, nooit. Hij vindt mij uitbundig, en dat ben ik ook. Dat is voor mij nu juist het uitdagende, dat hij zo totaal anders is dan ik. Het is voor mij een vorm van discipline, om zo zuinig te moeten zijn. Ik heb daar ook veel aan gehad voor mijn eigen poëzie. Ik heb de neiging om altijd heel duidelijk te zijn, informatief. Maar poëzie is een heel andere vorm van informatie geven dan een krantenstuk. Van Kopland, met wiens poëzie ik nu al vijftien jaar intensief bezig ben, heb ik geleerd dat het allemaal niet zo overduidelijk hoeft te zijn. Er kunnen best vragen in blijven, er moet mysterie in zijn. Misschien kan ik daarom nu zelf wel beter dichten dan vroeger.”

Klein kraampje

In zijn bundel A way of getting through, nam Brockway een afdeling op met de ironische titel 'The Poetry Business'. Hij drijft er op een luchtige manier een beetje de spot met de poëzie, althans met wat die vermag. Dichten is, schrijft hij, net zoiets als met een klein kraampje op de markt staan. Je verdient er niet veel mee, meestal begint het te regenen, maar toch staan die marktkooplui er elke week weer. Omdat het een manier van leven is, 'a way of getting through'. Verder hoopt en verwacht hij er niet veel van, van dichten:

Poetry too, is but the name we give

to a clever way with words for what it is to live

“We doen het,” zegt hij, “omdat we het niet laten kunnen. Natuurlijk vind ik het fijn als iemand een gedicht van mij mooi vindt, maar daar gaat het me niet om. Poëzie is iets heel intiems. Ik vind mezelf wel een dichter - maar dat zeg ik uitsluitend tegen mezelf, niet tegen de wereld. Het is zo moeilijk om een goed gedicht te schrijven. Meestal ben ik teleurgesteld door het resultaat. Als ik nu A way of getting through overlees dan vind ik het zelf bijna allemaal smaken naar muf geworden cake. Maar toch hoop je iets te schrijven, hoopt elke dichter iets te schrijven, dat de mensen doet stoppen en nadenken.”

De overtuiging dat poëzie iets heel intiems en persoonlijks is maakt hem ook schichtig voor poëzie optredens en voor Poetry International. Niet omdat er iets tegen poëzievoordracht is: “Welnee, de waarheid is: ik vind optreden leuk. I like showing off. En poëzie is afkomstig uit een orale traditie, dus daar kun je moeilijk tegen zijn. Maar ik heb toch het liefst een moeilijk gedicht dat je in je eentje aandachtig moet lezen en waar je dagen over moet denken. Een gedicht dat je wilt vertalen.”