Eb en vloed

Tussen mijn zesde en mijn twaalfde ben ik vaak in het water gevallen: twee keer zelfs in de Theems, natuurlijk in elk klein riviertje dat we tegenkwamen op vakantie in Ierland, en zelfs in een zwembad, waarbij ik mijn voortanden brak.

Uitstapjes eindigden vaak vroeger dan gepland, in plaats van ingewikkelde tochten in bussen (we hadden geen auto) moest ik bibberend teruggebracht worden in een taxi. Het gebeurde altijd zo snel, de ene minuut stond ik aan de kant en de volgende was ik in het water, alsof iets mij aan mijn voeten had getrokken.

Het spannendste, het gevaarlijkste incident van mijn hele kindertijd gebeurde ook bij de rivier. Mijn moeder, grootmoeder en ik wandelden langs de Theems bij Richmond. Mijn broer was er ook bij, nog heel klein, hij zat in een grote zware kinderwagen. Langs het pad was een hoge muur, om de paar honderd meter stond een bank. Wij gingen zitten op een van die banken en ineens begon het water te stijgen. Het werd heel hoog water, de Theems was nogal gevaarlijk.

Het gebeurde vrij snel, en achter ons was die hoge lange muur, zonder deur of hek. We gingen allemaal op de bank staan; het was erg opwindend. Mijn moeder zei dat we over de muur moesten klimmen en dat deden we. Eerst mijn grootmoeder (die was in de Eerste Wereldoorlog aan het front geweest), toen mijn broer, overhandigd als een pakket, en daarna mijn moeder en ik. Ik keek terug en zag de rivier veel breder geworden, zwart en angstaanjagend. Wat er aan de andere kant van die muur was weet ik niet meer.

“O, de kinderwagen!” riep mijn moeder, en klom terug over de muur. Ze maakte hem vast aan de bank met de ceintuur van haar regenjas. Toen gingen we naar huis. De volgende dag, bij laag water, ging mijn moeder de kinderwagen halen. Hij was vies en nat maar hij was er nog.